Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:311

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
12-2690 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstand met 50% gedurende twee maanden. Schending verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening. De verplichting om de pré-opstapbaan te accepteren betekent niet dat sprake is van dwangarbeid. Van schending van het in artikel 4, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde verbod op dwangarbeid is geen sprake. Niet elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/74

Uitspraak

12/2690 WWB, 12/2691 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 april 2012, 11/3613 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en[Appellante] (appellante) beiden te[woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2013. Appellant is verschenen. Hij heeft tevens appellante vertegenwoordigd. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W.C.M. Hermans.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen vanaf 3 juli 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Bedrijfsarts J.C. Hoek, werkzaam bij Achmea Vitalis, heeft op verzoek van het college onderzoek verricht naar de belastbaarheid van appellant. Daarover heeft hij op 17 mei 2010 gerapporteerd dat voor appellant geen medische beperkingen gelden om algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten. Aangezien appellant gedurende lange tijd op geen enkele wijze fysiek en/of mentaal belast is geweest, achtte de bedrijfsarts voor appellant “optrainen” dan wel gewenning aan belasting wenselijk. Voorts achtte de bedrijfsarts een arbeidskundig onderzoek naar het arbeidsverleden van appellant wenselijk om advisering over de aard van de voor hem geschikte werkzaamheden mogelijk te maken.

1.3.

Appellant werd in het kader van het traject Intensief naar uitstroom (INU) begeleid naar het verkrijgen van betaalde arbeid. Daarbij is geconstateerd dat appellant in een periode van circa een half jaar had gesolliciteerd naar een twaalftal functies. Gelet op de wijze waarop appellant solliciteerde - gelet op de aard van de betreffende functies was hij daarvoor niet gekwalificeerd en hij stelde zich beschikbaar voor slechts tien á twaalf uur per week - was de conclusie dat appellant niet serieus solliciteert en dat hij op die wijze met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nooit aan betaalde arbeid zal komen.

1.4.

Deze bevindingen van het INU-traject en de omstandigheid dat appellant sinds 2003 geen werkervaring heeft opgedaan, is voor het college aanleiding geweest om appellant een voorziening aan te bieden in de vorm van een pré-opstapbaan bij de Stichting Buitenbeheer (Stichting). Het oogmerk was dat appellant daardoor werkervaring en werkritme kan opdoen en dat aan hem, bij een positieve opstelling, vervolgens begeleiding en stage naar regulier werk kan worden aangeboden. Tijdens een gesprek op 4 november 2010 bij de Stichting is aan appellant een arbeidsovereenkomst voor deze pré-opstapbaan gedurende drie maanden met een proeftijd van een maand aangeboden. Appellant heeft geweigerd het contract te tekenen. Gerapporteerd is dat appellant niet bereid was werk te aanvaarden, omdat hij zich vanwege zijn gezondheidstoestand niet in staat achtte om arbeid te verrichten.

1.5.

Bij besluit van 19 november 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 augustus 2011 (bestreden besluit), heeft het college - kort gezegd - de bijstand van appellanten met ingang van 1 december 2010 voor de duur van twee maanden verlaagd met 50%. Aan deze verlaging van bijstand ligt ten grondslag dat appellant heeft geweigerd een arbeidsovereenkomst voor een pré-opstapbaan te tekenen, waardoor hij niet of onvoldoende heeft meegewerkt aan het traject dat voor hem nodig is om zijn kans op werk te vergroten.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad verwijst voor de vermelding van de hier van toepassing zijnde bepalingen van de WWB en de Maatregelverordening Gemeente Arnhem (Maatregelverordening) naar de aangevallen uitspraak. Tot deze bepalingen behoort artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, op grond waarvan - voor zover van belang - de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

4.2.

Aan appellant was ten tijde hier van belang geen ontheffing verleend van de onder 4.1 genoemde verplichting. Tussen partijen is niet in geschil dat de pré-opstapbaan bij de Stichting moet worden aangemerkt als een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

4.3.

Voorop staat dat het niet aan de betrokkene, maar aan het college is om te bepalen welke re-integratievoorziening aangewezen is om het uiteindelijk beoogde doel van arbeidsinschakeling te bereiken. Wel dient het college maatwerk te leveren en moet de voorziening het resultaat zijn van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden afweging die, kort gezegd, aan de betrokkene kenbaar moet zijn gemaakt. Aan deze vereisten is in dit geval voldaan. Het college heeft zich, gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende rapportages, waaronder die van bedrijfsarts Hoek, op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant arbeidsritme moest opdoen, omdat hij al jarenlang niet meer had gewerkt en dat gewenning aan belasting voor hem wenselijk was. Mede omdat het INU-traject niet tot arbeidsinschakeling heeft geleid, was ook gerichte begeleiding van appellant naar betaalde arbeid wenselijk. Bovendien kon tijdens de pré-opstapbaan of het mogelijke vervolg daarop, al dan niet in de vorm van een stage, meer duidelijkheid worden verkregen over wat appellant wil en kan.

4.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant bij de brief van 27 oktober 2010 door zijn consulent B. Zondag is uitgenodigd voor het gesprek op 4 november 2010 bij de Stichting niet alleen om het aanbod van een arbeidsovereenkomst te bespreken, maar ook dat hem deze overeenkomst ter ondertekening zou worden voorgelegd. Appellant is tijdens een gesprek op 25 oktober 2010 reeds door zijn consulent over dit aanbod geïnformeerd. Uit de brief van 27 oktober 2010, waarin is verwezen naar het gesprek twee dagen tevoren, had appellant kunnen begrijpen dat tijdens het gesprek op 4 november 2010 een overeenkomst ter ondertekening zou worden aangeboden. Daarbij wordt nog aangetekend dat appellant op de hoogte was van de gang van zaken, omdat hem in 2009 een soortgelijk aanbod was gedaan.

4.5.

Bij het gesprek op 4 november 2010 waren onder meer aanwezig consulent Zondag en M.J. Talsma, destijds werkzaam bij de Stichting. Consulent Zondag heeft schriftelijk verklaard dat hij voorafgaand aan de plaatsing met appellant heeft besproken dat appellant, zoals vaker voorkomt, met dit traject zou starten gedurende tien uur per week, waarna geleidelijk urenopbouw zou plaatsvinden. Talsma heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat het doel van het aan appellant aangeboden traject is het verkrijgen van arbeidsritme en de betrokkene met behulp van coaching en begeleiding te helpen richting betaalde arbeid. Daarbij vindt maatwerk plaats, aldus Talsma. Voorts heeft Talsma verklaard dat in de arbeidsovereenkomst, waarvan het model tijdens het bewuste gesprek beschikbaar was, aanpassingen kunnen worden aangebracht, waartoe in ieder geval de aanpassing van de contractsduur of de urenomvang, en ook de mogelijkheid bestaat om daarin een urenopbouw op te nemen. Tot een voor appellant aangepaste arbeidsovereenkomst is het volgens Talsma niet gekomen, omdat appellant van mening was dat hij medisch gezien niet in staat was de werkzaamheden van de pré-opstapbaan te verrichten. Gelet op deze beide, in essentie overeenkomende, verklaringen is aannemelijk dat appellant in deze pré-opstapbaan met een beperkt aantal uren had kunnen starten, waarna een urenuitbreiding tot 36 uur per week mogelijk was geweest als appellant bereid was aan dit traject deel te nemen. Om die reden is niet aannemelijk dat appellant, zoals hij ter zitting van de Raad heeft aangevoerd, tijdens het bewuste gesprek uitsluitend de keuze kreeg tussen het accepteren van het contract voor 36 uur per week en een verlaging van de bijstand. In het midden kan blijven of, zoals appellant stelt, Talsma ter zitting van de rechtbank meineed heeft gepleegd omdat, anders dan Talsma heeft verklaard, tijdens het gesprek wel een uitgeprint exemplaar van het model van het arbeidscontract aanwezig was. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de wederpartij niet bereid was een op zijn individuele omstandigheden toegespitst contract op te stellen met daarin een opbouw van het aantal arbeidsuren. Mede gelet op de bevinding van bedrijfsarts Hoek dat de belastbaarheid van appellant, medisch gezien, niet beperkt is, wat appellant niet heeft bestreden, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden in de groenvoorziening bij de Stichting zijn krachten te boven gingen. Ook hierbij is aannemelijk dat in dit traject rekening wordt gehouden met de individuele mogelijkheden, krachten en bekwaamheden van de deelnemers.

4.6.

Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat de aan hem opgelegde verplichting om de

pré-opstapbaan te accepteren betekent dat sprake is van dwangarbeid. Van schending van het in artikel 4, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde verbod op dwangarbeid is geen sprake, reeds omdat niet gebleken is dat op appellant fysieke dwang of in aanmerking te nemen psychische dwang is uitgeoefend. Van verplichte arbeid als bedoeld in artikel 4 van het EVRM is evenmin gebleken. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 8 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010: BL1093, zou pas sprake kunnen zijn van verplichte arbeid, zodra van een (beoogde) deelnemer aan een voorziening, gelet op alle omstandigheden, niet (meer) verlangd kan worden de opgedragen activiteiten of werkzaamheden te verrichten vanwege het excessief of disproportioneel belastende karakter ervan en/of het totaal ontbreken daaraan van enig perspectief richting arbeidsinschakeling. Uit de beschikbare gegevens kan niet worden afgeleid dat van appellant niet kon worden gevergd de aangeboden voorziening, in de vorm van een pré-opstapbaan bij de Stichting voor in eerste instantie drie maanden, te accepteren. Het ingezette INU-traject heeft voor appellant niet tot het beoogde resultaat geleid. Appellant was ten tijde van het aanbod door de Stichting al jaren zonder werk. Uit het algemeen functieprofiel van de functie van medewerker toezicht terreinen, dat appellant heeft ingezonden, kan niet worden afgeleid dat sprake is van activiteiten of werkzaamheden die een excessief of disproportioneel belastend karakter hebben. Evenmin kan worden geoordeeld dat aan het deelnemen van dit traject elk perspectief richting arbeidsinschakeling ontbrak. Appellant had door deelname aan dit traject weer enige werkervaring en werkritme kunnen opdoen. Bovendien heeft bedrijfsarts Hoek gerapporteerd dat appellant gedurende lange tijd op geen enkele wijze fysiek en/of mentaal belast is geweest. Door die deelname had appellant, zoals de bedrijfsarts wenselijk achtte, weer kunnen wennen aan enige belasting.

4.7.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat appellant de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting heeft geschonden om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening. Op grond van wat appellanten hebben aangevoerd, kan niet worden geoordeeld dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was dan ook gehouden om op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellanten overeenkomstig de Maatregelverordening te verlagen. Appellanten hebben niet bestreden dat de door het college toegepaste verlaging van 50% gedurende twee maanden in overeenstemming is met de Maatregelverordening.

4.8.

De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) O.P.L. Hovens

HD