Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3109

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
13-3950 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een AIO-aanvulling. Appellant en zijn echtgenote beschikten in de te beoordelen periode over inkomsten waarmee bij de beoordeling en vaststelling van het recht op AIO-aanvulling rekening diende te worden gehouden. Het door appellant en zijn echtgenote ontvangen AOW-pensioen tezamen met het pensioen van Campina en met de gastoudervergoeding was in die periode hoger dan de voor hen geldende van de WWB opgenomen norm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3950 WWB

Datum uitspraak: 23 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 juni 2013, 12/11628 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. Santokhi hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 1 juli 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Appellant ontving met ingang van maart 2008 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Met ingang van 1 januari 2012 bedroeg het AOW-pensioen € 413,34 netto per maand. Aan de echtgenote van appellant is met ingang van

1 januari 2012 een AOW-pensioen toegekend tot een bedrag van € 452,93 netto per maand. Zowel appellant als zijn echtgenote ontvangen geen volledig AOW-pensioen, aangezien zij tussen hun 15e en 65e jaar in verband met wonen buiten Nederland, een aantal jaren niet verzekerd zijn geweest voor de AOW.

1.3.

Appellant en zijn echtgenote hebben op 16 april 2012 een aanvraag ingediend om aanvulling op grond van de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).

1.4.

Bij besluit van 4 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 november 2012 (bestreden besluit), heeft de Svb de aanvraag afgewezen. De besluitvorming is gebaseerd op de overweging dat het totale inkomen van appellant en zijn echtgenote hoger was dan de voor hen geldende AIO-norm, zodat hij geen recht op AIO-aanvulling had. Appellant en zijn echtgenote ontvingen naast het AOW-pensioen een pensioen van het pensioenfonds Campina alsmede een pensioen van het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf en een vergoeding voor gastouderschap.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Samengevat betoogt hij dat de Svb en de rechtbank de gastoudervergoeding die hij en zijn echtgenote hebben ontvangen voor de opvang van hun kleinkinderen ten onrechte hebben aangemerkt als inkomsten en ten onrechte hebben geoordeeld dat hij een inkomen heeft boven de voor hem geldende norm. Daarnaast betoogt hij dat de AIO-uitkering gezien moet worden als een aanvulling op het tekort in het AOW-pensioen. AOW-gerechtigden met een AIO-aanvulling moeten dan ook in gelijke zin worden behandeld als AOW-gerechtigden die niet zijn gekort op hun AOW-pensioen. Aan volledig AOW-gerechtigden worden geen beperkingen opgelegd bij het verwerven van extra inkomen en vermogen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 16 april 2012 tot en met 4 september 2012.

4.2.

Ingevolge artikel 47a, eerste lid, van de WWB, voor zover en ten tijde hier van belang, heeft de Sociale verzekeringsbank tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan:

b. gehuwden, van wie beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn dan wel van wie één echtgenoot 65 jaar of ouder is, hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

In het tweede lid van artikel 47a, van de WWB is bepaald welke artikelen, hoofdstukken en paragrafen van de WWB van toepassing zijn op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf (bedoeld is paragraaf 5.4) anders is bepaald. De hierna onder 4.3 tot en met 4.6 weergegeven bepalingen van de WWB behoren tot de bepalingen bedoeld in artikel 47a, tweede lid, van de WWB.

4.3.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het tweede lid van dit artikel bevat een limitatieve opsomming van niet in aanmerking te nemen middelen.

4.4.

Op grond van artikel 32, eerste lid van de WWB, voor zover hier van belang, wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze

a. betreffen (...) inkomsten uit arbeid, (…) dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en

b. betrekking hebben op een periode waarop beroep op bijstand wordt gedaan.

4.5.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, heeft het gezin recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is.

4.6.

Op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB was voor appellanten tot 1 juli 2012 de bijstandsnorm € 1.412,71 per kalendermaand en vanaf die datum € 1.413,13 per kalendermaand.

4.7.

Uit het samenstel van de in 4.3 tot en met 4.6 genoemde bepalingen van de WWB volgt dat het recht op bijstand, en dus ook het in artikel 47a van de WWB en verder neergelegde recht op AIO-aanvulling van appellant en zijn echtgenote, mede afhankelijk is van de (omvang van de) middelen waarover zij beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. De tekst van de betreffende artikelen is duidelijk en laat geen ruimte voor een andere uitleg.

4.8.

Vaststaat dat appellant in de te beoordelen periode naast het AOW-pensioen van hemzelf en zijn partner maandelijks een bedrag van het pensioenfonds Campina ontving van € 127,86 en daarnaast gastoudervergoedingen van € 491,90 en € 200,- per maand. Anders dan appellant stelt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de ontvangen vergoedingen voor de opvang van de kleinkinderen aangemerkt moeten worden als inkomsten uit arbeid zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Van belang is dat dit vergoedingen betreffen met een periodiek karakter en dat appellant en zijn echtgenote vrij over het bedrag van deze vergoedingen kunnen beschikken en dit dus kunnen aanwenden om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij kosten heeft gemaakt die van de vergoeding moeten worden afgetrokken, maar reeds omdat deze kosten en de hoogte daarvan op geen enkele wijze zijn onderbouwd, heeft het college terecht geen rekening gehouden met eventuele aftrekbare kosten. De gastoudervergoeding valt evenmin onder in artikel 31, tweede lid, van de WWB uitgezonderde middelen.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat appellant en zijn echtgenote in de te beoordelen periode beschikten over inkomsten waarmee bij de beoordeling en vaststelling van het recht op AIO-aanvulling rekening diende te worden gehouden. Het door appellant en zijn echtgenote ontvangen AOW-pensioen tezamen met het pensioen van Campina en met de gastoudervergoeding was in die periode hoger dan de voor hen geldende, in artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB opgenomen norm. De Svb heeft de aanvraag om een AIO-aanvulling daarom terecht afgewezen. Gelet hierop kan in het midden worden gelaten of de echtgenote van appellant een maandelijkse uitkering van het bedrijfstakpensioen voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf ontving of dat zij dit pensioen als eenmalig bedrag heeft ontvangen.

4.10.

De door appellant gestelde ongelijke behandeling doet zich niet voor, reeds omdat van gelijke gevallen geen sprake is. Een AOW-gerechtigde met een volledig AOW-pensioen is niet gelijk te stellen met een AOW-gerechtigde die, zoals appellant en zijn echtgenote, wegens een aantal niet verzekerde jaren een gekort AOW-pensioen ontvangt.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

De Raad begrijpt het verzoek van appellant om schadevergoeding en nadeelcompensatie als een verzoek om het college met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van schade. Nu het hoger beroep niet slaagt, volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Awb dat dit verzoek moet worden afgewezen.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is buiten staat te ondertekenen.

IJ