Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3106

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
12-6286 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6286 WWB

Datum uitspraak: 23 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

18 oktober 2012, 12/253 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heumen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.L. Thiescheffer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. L.G.U. Compri, advocaat, als opvolgend advocaat voor appellant nadere gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2014. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.L. Hurkens.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving over de periode van 5 mei 2006 tot en met 18 februari 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Samen met zijn echtgenote ontvangt hij vanaf 3 april 2007 bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van het bij het college gerezen vermoeden dat appellant en zijn echtgenote misbruik maken van hun uitkering, heeft de intergemeentelijke sociale recherche Gelderland-Zuid een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is informatie opgevraagd bij de Dienst Wegverkeer (RDW), zijn bankafschriften van de bankrekeningen van appellant en zijn echtgenote ingezien en is appellant verhoord. Uit de gegevens van de RDW bleek dat in de periode van mei 2005 tot en met augustus 2010 in totaal 26 kentekens van auto’s en caravans op naam van appellant en zijn echtgenote hebben gestaan en dat appellant daarnaast betrokken is geweest bij de export van vier voertuigen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van 23 maart 2011.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksbevindingen aanleiding gezien om bij besluit van

21 juli 2011 de bijstand van appellant alleen onderscheidenlijk de bijstand van appellant en zijn echtgenote samen over de maand mei 2006 respectievelijk over een aantal maanden in de jaren 2007 tot en met 2010 in te trekken en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant en zijn echtgenote terug te vorderen. Bij besluit van 18 november 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2011 ongegrond verklaard, met dien verstande dat het bedrag van de terugvordering nader is vastgesteld, en wel op een bedrag van € 23.247,63.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft, evenals in de bezwaarfase, aangevoerd dat hij voorafgaand aan en tijdens zijn verhoor door de sociaal-rechercheur ten onrechte niet is bijgestaan door een advocaat. In dit verband heeft appellant een beroep gedaan op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008, LJN BH0402 (het zogenoemde Salduz-arrest).

4.1.1.

Deze beroepsgrond faalt. Het college heeft terecht vastgesteld, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 12 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2054, dat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zich niet uitstrekt tot een bestuursrechtelijke procedure als hier aan de orde, waarbij het gaat om intrekking en terugvordering van bijstand. Daarom kan in het midden blijven of appellant, zoals het college stelt en appellant betwist, heeft afgezien van consultatie van een advocaat en is er ook geen reden hieromtrent een nadere verklaring van de betrokken sociaal-rechercheur te vragen.

4.2.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat een vermelding van de transacties met auto’s en caravans geen invloed zou hebben gehad op de bijstand. Hij stelt de voertuigen voor een lage prijs te hebben gekocht en deze voor dezelfde of voor een lagere prijs te hebben verkocht.

4.2.1.

Ook deze beroepsgrond treft geen doel. Aan- en verkoop van auto’s en caravans op een schaal als hier aan de orde moet worden gezien als een economische activiteit waarmee inkomsten worden verworven of kunnen worden verworven. Het moet appellant redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze transacties van invloed konden zijn op (de omvang van) zijn recht op bijstand. Daarom heeft appellant, door de transacties met de auto’s en de caravans niet aan het college te melden, zijn wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Het is overigens niet aan appellant als bijstandsgerechtigde maar aan het college als bijstandverlenend bestuursorgaan om te beoordelen of en, zo ja, in hoeverre deze transacties daadwerkelijk van invloed zijn op de bijstand. Door melding van de transacties met de hiervoor bedoelde voertuigen aan het college achterwege te laten, heeft appellant het college niet de mogelijkheid geboden deze beoordeling (tijdig) te verrichten.

4.3.

Ten slotte heeft appellant een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft erop gewezen dat meerdere (andere) WWB-gerechtigden over een auto beschikken, dat die groep mensen ter zake daarvan niet wordt gecontroleerd en dat hij over dezelfde kam geschoren moet worden als deze andere bijstandsgerechtigden. Appellant heeft deze stelling niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens, zodat niet blijkt dat sprake is van gelijke gevallen die anders zijn behandeld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt om die reden niet.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en P.W. van Straalen en

M.I. ’t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) J.T.P. Pot

RB