Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3105

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
12-4972 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4972 WWB, 13/440 WWB

Datum uitspraak: 23 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van

25 juli 2012, 12/1589 (aangevallen uitspraak 1) en 12 december 2012, 12/8262 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het K5-bestuur (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.M Buijs-van Bemmel, advocaat, hoger beroepen ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 13 januari 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Buijs-van Bemmel. Het bestuur heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend.

Het bestuur heeft schriftelijk vragen van de Raad beantwoord.

Appellante heeft hierop schriftelijk gereageerd en nadere stukken ingediend.

Het nader onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 16 juni 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Buijs-van Bemmel. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M. Moberg.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), in de periode van 18 januari 2006 tot en met 26 juni 2008 naar de norm voor gehuwden, in de periode van 27 juni 2008 tot en met 31 augustus 2009 naar de norm voor een alleenstaande ouder en in de periode van 22 juni 2010 tot en met 31 mei 2011 eveneens naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

In het kader van een door het Regionaal Instituut Sociale Recherche (sociale recherche) ingesteld rechtmatigheidsonderzoek, gericht op de woonsituatie van appellante, heeft appellante in een gesprek op 20 januari 2011 meegedeeld dat haar vader in december 2007 is overleden en dat zij in Marokko een bankrekening heeft. Op verzoek van de sociale recherche heeft appellante vervolgens stukken, waaronder bankafschriften, overgelegd. Uit de bankafschriften komt naar voren dat appellante in elk geval sinds het najaar van 2007 bij de Attijariwafabank (bank) in Marokko een rekening heeft met nummer [bankrekeningnummer]. De afschriften vertonen diverse transacties met betrekking tot grote bedragen, waaronder een bijboeking op 29 februari 2008 van een bedrag van, omgerekend, ruim € 11.000,-. Appellante is verzocht nadere gegevens over te leggen, waaronder ontbrekende bankafschriften met betrekking tot die bankrekening en gegevens over de tegenrekening. Tevens is haar verzocht informatie te verstrekken met betrekking tot de herkomst en de besteding van de overgeboekte grote bedragen. Appellante heeft hierop ontkend dat zij nog een bankrekening in Marokko heeft. Zij heeft wel nog meer bankafschriften met betrekking tot de rekening met nummer [bankrekeningnummer] overgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 juni 2011.

1.3.

Bij besluit van 1 juli 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 januari 2012 (bestreden besluit 1), heeft het bestuur de bijstand met ingang van 1 juni 2011 beëindigd (lees: ingetrokken) en tevens met ingang van 29 februari 2008 ingetrokken op de grond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Hierbij heeft het bestuur in aanmerking genomen dat appellante niet direct uit eigen beweging heeft gemeld dat zij in elk geval vanaf 31 oktober 2007 een bankrekening in Marokko heeft en voorts onvoldoende gegevens heeft overgelegd met betrekking tot de herkomst en de aanwending van het geld op die rekening. Met name ontbreken gegevens met betrekking tot de tegenrekening waarop appellante steeds gelden overboekte, waaronder een volledig mutatieoverzicht. Tevens heeft appellante onvoldoende informatie verstrekt over de nalatenschap van haar vader.

1.4.

Bij besluit van 26 januari 2012 heeft het bestuur de over de periode van 29 februari 2008 tot en met 31 mei 2011 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 48.885,07. Na bezwaar heeft het bestuur dit besluit bij besluit van 17 juli 2012 (bestreden besluit 2) gehandhaafd, met dien verstande dat daarbij het teruggevorderde bedrag is gewijzigd in € 43.927,72.

2.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat over een gedeelte van de beoordelingsperiode het recht op bijstand van appellante wel kan worden vastgesteld, namelijk op nihil, wegens overschrijding van de grens van het vrij te laten vermogen.

3.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

4.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 1 in stand zijn gelaten. Zij heeft aangevoerd dat zij alle gegevens heeft overgelegd met betrekking tot de rekening die zij aanvankelijk niet aan het bestuur had gemeld en dat zij niet beschikt over nog een andere rekening. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling of haar vermogen de grens van het vrij te laten vermogen overschreed, alleen de rekening bij de bank met nummer [bankrekeningnummer] moet worden betrokken en dat op het saldo de debetstand op haar bankrekening in Nederland in mindering moet worden gebracht. Voorts heeft appellante aangevoerd dat het saldo op de rekening met nummer [bankrekeningnummer] op 31 augustus 2009, omgerekend, slechts € 7.013,77 bedroeg, doordat zij op 7 (lees: 10) augustus 2009 een bedrag heeft geleend aan haar broer, zodat haar vermogen vanaf dat moment in elk geval onder de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen lag. Appellante heeft zich in hoger beroep tevens tegen de aangevallen uitspraak 2 gekeerd. Zij heeft daartegen aangevoerd dat niet duidelijk is welke periodes in aanmerking zijn genomen bij de berekening van de terugvordering. Tevens heeft zij zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de geringe overschrijding van de vermogensgrens in de periode na 29 februari 2008, het bedrag van de terugvordering had moeten worden gematigd.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

5.1.

Het bestuur heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent, de beide intrekkingen samengenomen, dat hier beoordeeld dient worden de periode van 29 februari 2008 tot en met 1 juli 2011.

5.2.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit, waarbij het aan het bestuur is om de nodige kennis over de concrete feiten en omstandigheden te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB op het bestuur rust. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bestuur aannemelijk heeft gemaakt dat in het onderhavige geval aan de voorwaarden is voldaan. Hierbij is het volgende van belang.

5.3.

Niet is in geschil dat appellante de bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] bij de bank niet uit eigen beweging heeft gemeld aan het bestuur. Het gaat hier, mede gelet op de omvang van het banktegoed, om een gegeven waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat het van invloed kon zijn op (de omvang van) haar recht op bijstand. Daarbij komt dat in het aanvraagformulier is vermeld dat bankrekeningen in zowel binnen- als buitenland moeten worden vermeld. De door appellante gestelde omstandigheid dat de medewerker van de sociale dienst van het bestuur die appellante hielp bij de invulling van het aanvraagformulier, niet naar buitenlandse bankrekeningen heeft gevraagd, doet hieraan niet af. Door van deze bankrekening geen mededeling te doen aan het bestuur, heeft appellante de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

5.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

5.5.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij, als zij wel volledig aan de inlichtingenverplichting had voldaan, in de beoordelingsperiode recht op (aanvullende) bijstand had. Appellante heeft onvoldoende inzicht gegeven in haar financiële positie door niet alle gegevens over te leggen met betrekking tot haar Marokkaanse bankrekening. Uit de door appellante overgelegde bankafschriften blijkt dat diverse malen een aanzienlijk bedrag van haar bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] is overgeboekt naar een interne rekening bij de bank - door de rechtbank aangemerkt als depositorekening - en tevens dat diverse malen een aanzienlijk bedrag van die rekening is overgeboekt naar de bankrekening met nummer [bankrekeningnummer]. De contractnummers van die boekingen zijn daarbij telkens vermeld. Dat appellante voor korte tijd - een periode van drie of zes maanden - aldus bedragen in deposito plaatste en blokkeerde, is, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, op zichzelf niet in geschil. Appellante heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de bank geen mutatieoverzicht met betrekking tot de geblokkeerde bedragen kon verstrekken of dat zij geen informatie van de bank kon verkrijgen over het verloop van het saldo. Appellante heeft geen schriftelijke stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij de bank concreet heeft verzocht om een mutatieoverzicht of een saldo-overzicht met betrekking tot de hier relevante periode, zodat haar stelling dat deze stukken niet te verkrijgen zijn geen doel treft. In dit kader acht de Raad evenals het bestuur de enkele mededeling van de bank dat appellante aldaar slechts over één bankrekening beschikt onvoldoende. Het ontbreken van bedoeld overzicht klemt te meer nu niet is uit te sluiten dat voorafgaand aan de periode in geding al stortingen op de interne rekening hebben plaatsgevonden en dat ook contant gestorte bedragen op een dergelijke interne rekening kunnen worden bijgeboekt. Het ontbreken van adequate, aanvullende informatie over de boekingen die op de meergenoemde bankrekening hebben plaatsgevonden komt voor rekening en risico van appellante. Door het ontbreken van deze informatie kan niet met zekerheid worden bepaald wat het totale vermogen in de vorm van banksaldi van appellante in Marokko was.

5.6.

Appellante kan voorts niet worden gevolgd in haar betoog dat zij redelijkerwijs niet kon beschikken over de op de termijnrekening overgemaakte bedragen. Appellante heeft er immers zelf voor gekozen die bedragen voor korte periodes vast te zetten en niet aan te wenden voor de kosten van haar levensonderhoud.

5.7.

Over de periode vanaf 29 februari 2008 was daarnaast, zoals de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld, gedurende een aantal maanden - tot juli 2008 - sprake van een (zichtbaar) banktegoed dat hoger was dan het bedrag van de voor appellante geldende grens van het vrij te laten vermogen, zodat appellante om die reden in die periode geen recht had op bijstand.

De terugvordering

5.8.

De beroepsgrond dat het teruggevorderde bedrag had moeten worden gematigd op de grond dat de vermogensgrens met slechts een gering bedrag was overschreden, zodat het bedrag van de terugvordering niet in redelijke verhouding daartoe stond, slaagt niet. Voor een dergelijke matiging is slechts plaats in het geval het recht op bijstand aan de hand van de beschikbare gegevens kan worden vastgesteld. Uit 5.5 volgt dat die situatie zich hier niet voordoet vanwege de bestaande en blijvende onduidelijkheid omtrent het banktegoed van appellante in Marokko. Daarbij komt dat appellante over andere vermogensbestanddelen eveneens onduidelijkheid heeft laten bestaan. Zo heeft zij onvoldoende inzicht gegeven in de herkomst van de op de Marokkaanse bankrekening bijgeboekte bedragen. Anders dan appellante heeft aangevoerd, geeft het enkele feit dat die bedragen op de bankrekening zijn bijgeboekt op zichzelf onvoldoende inzicht in haar vermogenspositie, zolang niet duidelijk is wat de herkomst en de oorspronkelijke omvang van de verworven middelen is.

5.9.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, is in het bestreden besluit 2 voldoende inzichtelijk gemaakt over welke periodes en tot welke bedragen de bijstand van haar wordt teruggevorderd. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.

Slot

5.10.

Uit wat onder 5.1 tot en met 5.9 is overwogen volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, en de aangevallen uitspraak 2 zullen worden bevestigd.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

- bevestigt de aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.C.R. Schut en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) A.C. Oomkens

HD