Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3098

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
13-2869 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek uitbreiding huishoudelijk hulp. Deugdelijk advies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2869 WMO

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

16 april 2013, 12/4836 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 10/5866 WMO, plaatsgehad op

4 juni 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn. In de zaak 13/2869 WMO is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 17 augustus 2012 heeft het college de aanvraag van appellante van

22 mei 2012 om uitbreiding van de hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toegewezen in die zin, dat de omvang van de hulp bij het huishouden is verhoogd van drie naar vier uur per week voor de periode van

18 augustus 2012 tot en met 31 maart 2014. De voorziening is verstrekt in de vorm van zorg in natura. Het college heeft de omvang van vier uur per week gebaseerd op het advies van ergonomisch adviseur O. van Schie van Scio d.d. 4 juli 2012 (Scio-advies). Wegens de beperkingen van appellante, haar echtgenoot en haar meerderjarige zoon is overname nodig van het zware huishoudelijke werk (drie uur per week) en van een deel van de wasverzorging (45 minuten, afgerond op één uur per week). De overige werkzaamheden kunnen de gezinsleden gezamenlijk uitvoeren.

1.2. Het college heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 augustus 2012 bij besluit van 13 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand houdt gelet op het aan het college uitgebrachte Scio-advies van 4 juli 2012 bezien in samenhang met de nieuwe beleidsregels en de tabel normering huishoudelijke taken bij de beleidsregels voorzieningen Wmo 2011. Met toekenning van drie uur voor zwaar huishoudelijk werk en één uur voor wasverzorging wordt appellante voldoende gecompenseerd.

3.

Appellante heeft in hoger beroep haar stelling herhaald dat nu haar zoon in verband met heupklachten voorlopig geen bijdrage in het huishouden kan leveren zij, net als in het verleden voordat haar zoon 18 jaar was, recht heeft op hulp bij het huishouden in een omvang van zes uur per week. In eerdere rapporten is vastgesteld dat appellante zelf vanwege haar aandoeningen geen huishoudelijk werk kan verrichten, terwijl haar man slechts geschikt werd geacht voor een half uur licht huishoudelijk werk per week. Onbegrijpelijk is dan ook dat niet de maximale norm voor de wasverzorging is toegekend en dat geen uren voor licht huishoudelijk werk zijn toegekend.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van appellante in verband met een heupoperatie van haar zoon heeft het college bij besluit van 29 april 2013 gehandhaafd zijn besluit van 14 januari 2013 waarbij de omvang van de aan appellante toegekende hulp bij het huishouden is verhoogd naar 4,5 uur per week voor de periode van 15 januari 2013 tot en met 31 maart 2014. Tegen het oordeel van de rechtbank over het besluit van 29 april 2013 loopt een aparte procedure in hoger beroep.

4.1.2. In dit geding is aan de orde of appellante met de toekenning van hulp bij het huishouden op grond van de Wmo in een omvang van vier uur per week voldoende is gecompenseerd. Hierbij is, gelet op het onder 4.1.1 vermelde besluit van 29 april 2013, de te beoordelen periode beperkt tot de periode van 18 augustus 2012 tot en met 14 januari 2013. Partijen verschillen van mening over welke mogelijkheden appellante, haar echtgenoot en haar meerderjarige zoon, gelet op hun medische beperkingen, hebben voor het verrichten van huishoudelijk werk.

4.2.

Onbesproken wordt gelaten of het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat de zoon van appellante voorafgaand aan zijn heupoperatie een bijdrage kon leveren aan het verrichten van licht huishoudelijk werk. De Raad is namelijk van oordeel dat appellante niet voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel van de Raad over de rechtmatigheid van het bestreden besluit voor zover daarin ligt besloten dat de zoon, voordat hij een heupoperatie onderging, enige bijdrage kon leveren aan het verrichten van licht huishoudelijk werk. Zoals uit 4.1.1 volgt is naar aanleiding van de operatie van de zoon een nieuwe aanvraag gedaan waarna een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Een oordeel over de mogelijkheden van de zoon voorafgaand aan zijn heupoperatie kan dan ook geen betekenis hebben voor de aanspraken van appellante op hulp bij het huishouden in de toekomst. Voorts kan een inhoudelijk oordeel niet leiden tot een feitelijke wijziging van de aanspraak nu de aanspraak betrekking heeft op een in het verleden liggende afgesloten periode, het met terugwerkende kracht toekennen van huishoudelijke hulp in natura niet mogelijk is en niet is gebleken dat appellante schade heeft geleden doordat zij in die periode door haar zelf betaalde huishoudelijke hulp heeft betrokken.

4.3.1.

De Raad is van oordeel dat appellante wel voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit voor zover het betreft de mogelijkheden van appellante en haar echtgenoot tot het verrichten van huishoudelijk werk nu dit oordeel gelet op de in de loop der tijd niet wezenlijk gewijzigde gezondheidssituatie van appellante en haar echtgenoot, betrokken kan worden bij toekomstige aanvragen voor vergelijkbare zorg. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

4.3.2.

Van de zijde van het college is in hoger beroep ingebracht een medisch advies van de arts P.F.J. Donderwinkel van 8 september 2013. Volgens dit medisch advies zijn appellante en haar echtgenoot gelet op hun beperkingen in staat lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten op werkhoogte en zijn zij samen in staat tot de verzorging van de was. Waar de gezondheidssituatie van appellante en haar echtgenoot ten tijde van het uitbrengen van dit advies niet wezenlijk anders was dan ten tijde hier aan de orde kan dit medisch advies retrospectief bezien ook geacht worden te gelden voor de mogelijkheden van appellante en haar echtgenoot tot het verrichten van lichte huishoudelijke werkzaamheden en de verzorging van de was in de hier aan de orde zijnde periode. Er is sprake van een deugdelijk advies. Van de zijde van appellante zijn geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan kan worden getwijfeld aan dat medisch advies. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de mogelijkheden van appellante en haar echtgenoot tot het verrichten van huishoudelijk werk bij het bestreden besluit niet zijn overschat.

4.4.

Uit wat is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

TM