Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3093

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
13-2314 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Niet voldaan aan de stelplicht en bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2314 WWB

Datum uitspraak: 16 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

13 maart 2013, 11/1361 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Heesen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 14 augustus 1995 (aanvullende) bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Bureau Handhaving van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Enschede heeft in het kader van een vermogensproject belastinggegevens van appellante verkregen over de periode van 2005 tot en met 2009. Volgens die gegevens beschikte appellante over een tweetal bankrekeningen, die bij het college niet bekend waren. De bevindingen van het administratief vooronderzoek zijn neergelegd in een rapportage van

26 mei 2010. Medewerkers van Bureau Handhaving hebben vervolgens op 4 november 2010 een gesprek met appellante gevoerd. Tijdens dit gesprek heeft appellante een schriftelijke verklaring van [C.], inhoudende dat zij een bedrag van € 20.000,- van hem heeft ontvangen, en een bankafschrift van een op haar naam staande bankrekening eindigend op 508 overgelegd. Uit dit bankafschrift blijkt dat het bedrag op 6 januari 2010 is bijgeschreven en op 8 januari 2010 is overgeboekt naar een andere bankrekening op naam van appellante eindigend op 874. Deze bankrekening was evenmin bekend bij het college. Naar aanleiding van het telefonisch gesprek met appellante op 15 november 2010, in welk gesprek zij verklaart dat zij het van C ontvangen geldbedrag van € 20.000,- aan hem heeft teruggegeven, heeft zij gegevens overgelegd waaruit blijkt dat op 5 en 8 november 2010 een bedrag van in totaal € 20.000,- op bankrekening eindigend op 069 is gestort. Dit bankrekeningnummer staat op naam van Grillhouse Boulevard en onder vermelding van het adres van appellante.

1.3.

Bij besluit van 15 november 2010 heeft het college het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 november 2010 geblokkeerd. Daarbij heeft het college appellante in de gelegenheid gesteld, voor zover hier van belang, afschriften van meerdere nader genoemde bankrekeningen op naam van appellante en op naam van haar inwonende dochter vanaf

1 januari 2003 en vanaf de opening van deze bankrekeningen binnen één week over te leggen.

1.4.

Appellante heeft op 19 november 2010 aanvullende gegevens ingeleverd, maar daarbij schriftelijk verklaard dat niet alle gevraagde gegevens konden worden verkregen van de bank. De bevindingen van het onderzoek van de medewerkers van Bureau Handhaving zijn neergelegd in een rapportage van 8 december 2010.

1.5.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 7 december 2010 de bijstand van appellante met ingang van 1 november 2010 te beëindigen (lees: in te trekken). Bij afzonderlijk besluit van 7 december 2010 heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 oktober 2010 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 73.394,90 van appellante teruggevorderd.

1.6.

De Sociale Recherche Twente (sociale recherche) heeft naar aanleiding van de hoogte van het terugvorderingsbedrag een nader onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De sociale recherche heeft onder meer de overgelegde bankafschriften nader onderzocht en appellante op 31 maart 2011 en 20 april 2011 verhoord. De bevindingen van de sociale recherche zijn neergelegd in een proces-verbaal van

21 april 2011.

1.7.

Bij brief van 9 juni 2011 heeft het college appellante desgevraagd in de gelegenheid gesteld onder meer de nader genoemde ontbrekende bankafschriften over te leggen. Bij brief van 14 juni 2011 heeft appellante verscheidene bankafschriften toegezonden.

1.8.

Bij besluit van 1 november 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 7 december 2010 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van verscheidene bankrekeningen op haar naam en de diverse vermogensmutaties op deze bankrekeningen. Uit de in bezwaar overgelegde stukken is gebleken dat appellante naast de inmiddels bekende bankrekeningen over nog meer bankrekeningen beschikt die bij het college niet bekend waren. Appellante heeft ook in bezwaar niet alle gevraagde informatie en bankafschriften verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het de intrekking betreft vanaf januari 2010, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand zullen worden gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en niet aannemelijk heeft gemaakt dat er recht op (aanvullende) bijstand bestond. Ten aanzien van de periode vanaf januari 2010 is de rechtbank van oordeel dat het recht wel is vast te stellen omdat appellante in januari 2010 een bedrag van € 20.000,- op haar bankrekening heeft ontvangen en zij met dit bedrag de voor haar geldende vermogensgrens heeft overschreden. Het college had derhalve het recht op (aanvullende) bijstand in de periode vanaf januari 2010 moeten vaststellen op nihil.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het bestreden besluit deels niet is vernietigd en overigens daarvan de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Zij heeft aangevoerd dat sprake is van een belastend besluit en het aan het college is om aannemelijk te maken dat geen sprake is van een aanvullend recht op bijstand. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting niet geschonden. Met de overgelegde bankafschriften heeft appellante voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in de gehele in geding zijnde periode recht heeft op (aanvullende) bijstand. Ook heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij haar bankrekening ter beschikking heeft gesteld aan C en dat de daarop gestorte bedragen niet aan haar kunnen worden toegerekend.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2003 tot en met 7 december 2010 (te beoordelen periode).

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de van belang zijnde feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Niet in geschil is dat appellante in de te beoordelen periode heeft beschikt over verscheidene bankrekeningen en op een aantal van deze bankrekeningen een veelvoud aan kasstortingen van grote bedragen zijn gedaan. Op de bankrekening van appellante eindigend op 276 zijn bijvoorbeeld kasstortingen van € 2.500,- op 6 juni 2003, € 4.200,- op 3 oktober 2005, € 1.000,- op 3 januari 2007 en van € 16.000,- op 26 mei 2010 gedaan. Ook op de bankrekening op naam van appellante eindigend op 508 zijn veelvuldig kasstortingen bijgeschreven en is het in 1.2 genoemde bedrag van € 20.000,- op 6 januari 2010 bijgeschreven. Het saldo van de bankrekening van appellante eindigend op 918 bedroeg in augustus 2008 € 16.000,- en in augustus 2010 € 19.150,-.

4.4.

De beschikbare gegevens bieden geen steun voor het standpunt van appellante dat zij alle op haar naam staande bankrekeningen heeft gemeld. Dit standpunt strookt reeds niet met de onder 1.6 vermelde verklaring van appellante tegenover de sociale recherche op 20 april 2011 dat zij geen melding heeft gemaakt van haar bankrekening eindigend op 508. Door geen opgave te doen van al haar bankrekeningen en de daarop gedane kasstortingen heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Het gaat hier om financiële gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan appellante om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.6.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante, ondanks de veelheid van de door haar overgelegde stukken en gegevens, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij, indien wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, recht op bijstand zou hebben. Appellante heeft immers niet van alle bankrekeningen de gevraagde bankafschriften overgelegd. Daarmee heeft zij het college geen inzicht gegeven in alle mutaties die in de te beoordelen periode hebben plaatsgevonden. Bovendien blijkt uit de wel overgelegde bankafschriften wederom van bestaande bankrekeningen op naam van appellante en op naam van haar inwonende kinderen, die zij ook nog niet bij het college had gemeld. Daarbij komt dat ook deze bankafschriften verscheidene kasstortingen van aanzienlijke bedragen te zien geven. De stelling van appellante dat zij haar bankrekening eindigend op 508 vanaf 2002 in gebruik heeft gegeven aan C en alle daarop bijgeschreven kasstortingen dus aan hem toebehoren, heeft zij op geen enkele wijze met verifieerbare stukken aannemelijk gemaakt en staat bovendien haaks op de verklaring van appellante tegenover de sociale recherche op

20 april 2011 dat zij ook zelf gebruik maakte van deze bankrekening. Daarnaast zijn zoals in 4.3 overwogen ook op andere bankrekeningen waarover appellante in de te beoordelen periode heeft beschikt aanzienlijke kasstortingen gedaan. De beschikbare bankafschriften laten geldstromen zien die onverklaarbaar zijn. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.7.

Vaststaat wel dat appellante in ieder geval in januari 2010, met de bijschrijving van een geldbedrag van € 20.000,-, beschikte over een vermogen dat de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen overschreed. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit positieve vermogensbestanddeel een beletsel vormt voor bijstandsverlening.

4.8.

Het standpunt van appellante dat de rechtbank haar ten onrechte niet nader in de gelegenheid heeft gesteld over de eventuele onduidelijkheden naar aanleiding van de honderden door haar in beroep overgelegde bankafschriften een verklaring te geven, miskent dat op appellante de stelplicht en de bewijslast rust om te stellen en aannemelijk te maken dat zij recht heeft op (aanvullende) bijstand. Het lag op de weg van appellante om bij overlegging van de stukken een zodanige toelichting te geven, dat aan deze stelplicht en bewijslast was voldaan. Zij is daarin, gelet op 4.6, niet geslaagd. De rechtbank was dus niet gehouden om appellante nader in de gelegenheid te stellen onduidelijkheden op te helderen.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.T.P. Pot

HD