Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3084

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
13-1964 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering traplift. Verhuizing naar een niet adequate woning. Geen sprake van een onverwacht optredende noodzaak. Voorzienbaar dat in de woonruimte beperkingen in het normale gebruik zouden worden ondervonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1964 WMO

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 maart 2013, 12/3638 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Akkas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2014, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Akkas. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.C. Smit.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1972, is onder meer bekend met retropatellaire

chondropathie (een aandoening aan de knie), als gevolg waarvan zij blijvend beperkt is in onder meer (trap)lopen, staan en tillen. In verband met de sloop van haar oude woning, gelegen op de derde etage (zonder lift) aan de [straatnaam] in [woonplaats], beschikte appellante over een stadsvernieuwings-urgentieverklaring. Bij besluit van

28 april 2011 heeft het college aan appellante een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten toegekend, waarbij als voorwaarde is gesteld dat de te aanvaarden nieuwe woning moet zijn gelegen op de begane grond zonder traptreden binnen of buiten de woning, eventueel bereikbaar via een lift. Het college heeft hierbij vermeld dat dit besluit vier jaar geldig is en tevens een medische indicatie is.

1.2.

Appellante heeft op 24 oktober 2011 een aanvraag op grond van de Wet maatschappelijke

ondersteuning (Wmo) gedaan voor aanpassing van haar nieuwe woning aan de [straatnaam 2] in [woonplaats]. De aanvraag ziet op een traplift en halofoon. Deze woning betreft een eengezinswoning met een trap van negen treden naar de woonkamer en een trap van zestien treden naar de slaapkamer en doucheruimte. Appellante is in november 2011 naar deze woning verhuisd.

1.3.

Bij besluit van 9 maart 2012 heeft het college de aanvraag van appellante van

24 oktober 2011, onder verwijzing naar het advies van de MO-zaak van 4 januari 2012, afgewezen, omdat de beperkingen in het gebruik van deze woning, gelet op het aantal traptreden, ten tijde van het betrekken van de woning te voorzien waren.

1.4.

Bij besluit van 8 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 maart 2012 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de aanvraag het gevolg is van verhuizing naar een niet adequate woning terwijl het voor appellante duidelijk was dat zij diende te verhuizen naar een woning gelegen op de begane grond zonder traptreden. Appellante had gebruik kunnen maken van haar urgentieverklaring, op grond waarvan zij voorrang had in de hoogste categorie. Appellante heeft evenwel alleen gezocht naar vijfkamerwoningen in Nieuw-West via woningbouwvereniging Eigen Haard. Dat appellante wellicht onjuiste informatie van deze woningbouwvereniging heeft ontvangen, betreft een zaak tussen appellante en deze vereniging. Er zijn dan ook geen bijzondere feiten of omstandigheden bekend die aanleiding vormen om de hardheidsclausule toe te passen.

2.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat appellante in haar huidige woning wegens de aanwezigheid van trappen beperkingen ondervindt in het normale gebruik van haar woning. Deze ondervonden beperkingen waren voor appellante voorzienbaar. De rechtbank volgt, uitgaande van het bezit van de stadsvernieuwingsurgentie en het door het college overgelegde overzicht van beschikbare woningen, appellante niet in haar betoog dat er geen geschikte woningen beschikbaar waren in de periode dat zij moest verhuizen. Appellante kan verder aan de gestelde toezegging door de woningbouwvereniging, nog daargelaten dat zij deze toezegging op geen enkele wijze heeft onderbouwd, geen vertrouwen ontlenen omdat de bevoegdheid tot toekenning van voorzieningen op het gebied van de Wmo niet bij de woningbouwvereniging maar bij verweerder ligt. Het had dan ook op de weg van appellante gelegen om voorafgaand aan de acceptatie van de huidige woning bij het college te informeren over de mogelijkheden tot aanpassing van deze woning. Voor het college bestond geen aanleiding om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De enkele stelling dat appellante door noodgedwongen traplopen in de toekomst mogelijk in een rolstoel terecht zal komen, is hiervoor onvoldoende.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft herhaald dat zij haar huidige woning heeft geaccepteerd omdat de woningbouwvereniging haar had meegedeeld dat er geen woningen beschikbaar waren die voldeden aan de eisen van het college, dat de woningbouwvereniging heeft toegezegd dat zij in haar nieuwe woning een traplift kon krijgen, dat in het geval zij gedwongen moet blijven traplopen, zij blijvend invalide zal worden en het college in verband met onbillijkheden van overwegende aard toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het college terecht aan appellante heeft tegengeworpen dat er geen sprake was van een onverwacht optredende noodzaak en dat voorzienbaar was dat in de woonruimte beperkingen in het normale gebruik zouden worden ondervonden en de gevraagde voorziening noodzakelijk zou zijn. Op grond hiervan kon het college de gevraagde voorzieningen weigeren te verstrekken. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. De Raad is eveneens met de rechtbank van oordeel dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen onbillijkheden van overwegende aard oplevert, zodat er voor het college geen aanleiding bestond om met toepassing van de hardheidsclausule van het vorenstaande af te wijken.

4.2.

Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) M.P. Ketting

TM