Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3082

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
13-603 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag individuele vervoersvoorziening. Gebruik van de eigen auto. De Raad is van oordeel dat de door appellant aangevoerde praktische bezwaren tegen het gebruik van het collectief vervoer niet zodanig zwaarwegend zijn dat appellant met het collectief vervoer niet voldoende wordt gecompenseerd in zijn vervoersbehoefte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/603 WMO

Datum uitspraak: 10 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van

18 december 2012, 11/275 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Emmen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. J. Janssen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2014. Voor appellant is drs. Janssen verschenen. Het college heeft zich, met bericht vooraf, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant beschikt sinds 2002 over een vervoersvoorziening in de vorm van een taxipas en een begeleiderspas voor het collectief vervoer. Voor de korte afstand heeft appellant sinds 2005 een indicatie voor een scootmobiel. Appellant maakt van deze voorzieningen geen gebruik. Op 3 november 2010 heeft appellant bij het college een aanvraag op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ingediend om zijn taxipas om te zetten in een persoonsgebonden budget (pgb). Bij besluit van 11 november 2010 heeft het college besloten appellant niet in aanmerking te brengen voor een individuele vervoersvoorziening.

1.2.

Bij besluit van 29 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 november 2010 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Er is geen noodzaak voor het toekennen van een andere vervoersvoorziening, omdat appellant gebruikmaakt van de eigen auto. Verder is niet met (medische) stukken aangetoond dat het collectief vervoer geen adequate voorziening is. De mogelijkheid ingevolge artikel 6 van de Wmo om te kiezen voor een pgb is niet aan de orde, omdat er geen vervoersprobleem is en appellant daarom geen aanspraak heeft op een vervoersvoorziening.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. De motivering van het bestreden besluit is innerlijk tegenstrijdig, omdat het college zich enerzijds op het standpunt stelt dat appellant beperkingen heeft die worden gecompenseerd met de aan hem verstrekte vervoersvoorzieningen, en anderzijds dat er geen vervoersprobleem is, zodat het college geen compensatieplicht heeft. Niet is gebleken van medische redenen op grond waarvan appellant geen gebruik zou kunnen maken van het collectief vervoer en/of de scootmobiel. Het college heeft deugdelijk gemotiveerd waarom zij met het verstrekken van een taxipas aan haar compensatieplicht heeft voldaan en waarom overwegende bezwaren bestaan tegen het bieden van een keuze voor een pgb als alternatief voor het collectief vervoer. Het college heeft kunnen besluiten dat het collectief vervoer een adequate voorziening is voor appellant, op grond waarvan het verzoek om een pgb kan worden afgewezen.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert allereerst aan dat hij weliswaar geen doorslaggevende medische bezwaren heeft tegen het gebruik van het collectief vervoer, maar wel praktische bezwaren. Chauffeurs weigeren zijn visuitrusting mee te nemen naar huis, omdat deze spullen na het vissen stinken. Verder weigert appellants echtgenote, als begeleider, mee te gaan met het collectief vervoer. Het collectief vervoer is daarom geen compenserende voorziening. Een pgb komt dan aan de orde. Appellant voert verder aan dat er geen overwegende bezwaren tegen het verstrekken van een pgb bestaan, omdat voor het verlies van draagvlak voor het collectief vervoer niet hoeft te worden gevreesd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 5.2, tweede lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Emmen 2010 (Verordening) heeft de verlening van de collectieve vervoersvoorziening, zo nodig in combinatie met een andere individuele vervoersvoorziening, voorrang. Zoals de Raad vaker heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2101) komt het primaat van het collectief vervoer als zodanig niet in strijd met het in artikel 4 van de Wmo neergelegde compensatiebeginsel. Dit laat onverlet dat een voorziening van collectief vervoer in een concreet geval, gezien de vervoersbehoefte van de aanvrager, geen compenserende voorziening zou kunnen zijn.

4.2.

De Raad is van oordeel dat de door appellant aangevoerde praktische bezwaren tegen het gebruik van het collectief vervoer niet zodanig zwaarwegend zijn dat appellant met het collectief vervoer niet voldoende wordt gecompenseerd in zijn vervoersbehoefte. Van appellant mag worden verwacht dat hij zich bij het gebruik van het collectief vervoer enige beperkingen getroost. Appellant kan ervoor zorgen dat hij zijn visuitrusting na het vissen zodanig reinigt dat chauffeurs zijn visuitrusting wel meenemen. Wat betreft de wens van appellants echtgenote om geen gebruik te maken van het collectief vervoer om haar echtgenoot te begeleiden, kan appellant, hoe begrijpelijk zijn voorkeur ook is om begeleid te worden door zijn echtgenote, ervoor kiezen om door een andere persoon te worden begeleid. De eerste beroepsgrond slaagt daarom niet.

4.3.

In artikel 6 van de Wmo is geregeld dat het college van burgemeester en wethouders aan belanghebbenden de mogelijkheid biedt te kiezen tussen een voorziening in natura of het ontvangen van een pgb, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. Ingevolge artikel 5.2, derde lid, van de Verordening wordt met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 van de Wmo een vervoersvoorziening uitsluitend in natura verleend.

4.4.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door het college aangedragen feiten en omstandigheden, indien het om de instandhouding van een systeem van collectief vervoer gaat, aangemerkt kunnen worden als overwegende bezwaren in de zin van artikel 6 van de Wmo. Hiervoor wordt verwezen naar de overwegingen van de rechtbank, die de Raad tot de zijne maakt. Daaraan wordt toegevoegd dat de Raad de door appellant, onder verwijzing naar artikel 5.4 van de Verordening, opgestelde berekening van € 200,- niet kan volgen, reeds omdat genoemd artikel, gelezen in samenhang met artikel 5.1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning Emmen 2011 en Bijlage 1 bij dit besluit, niet ziet op de tegenwaarde van de collectieve vervoersvoorziening. De tweede beroepsgrond slaagt daarom evenmin.

4.5.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en W.H. Bel en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) H.J. Dekker

CVG