Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3080

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
13-1431 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang afgewezen. Mogelijkheid om gebruik te maken van de voorzieningen in een vrijheidsbeperkende locatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1431 WMO, 13/1432 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2013, 12/6376 en 12/6542 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Çakici-Reinders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Çakici-Reinders. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. F. Elidrissi.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren [in 1] 1978, is afkomstig uit Tibet en zij is op 31 januari 2008 Nederland binnengekomen. Zij heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel gedaan. Deze aanvraag is afgewezen en het beroep daartegen is op 4 maart 2010 ongegrond verklaard.

1.2.

Op 13 juli 2012 heeft appellante het college - voor zover in dit geding van

belang - verzocht haar opvang te bieden.

1.3.

Bij besluit van 25 september 2012 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat zij niet voldoet aan de voorwaarden om te worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

1.4.

Op 2 oktober 2012 heeft appellante een nieuwe aanvraag om opvang ingediend waarbij zij heeft gewezen op het feit dat zij een zoon heeft, [naam zoon], geboren op

[in 2] 2012. Verder heeft appellante het arrest van de Hoge Raad van

21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328, overgelegd, en geconcludeerd dat hieruit voor de Staat der Nederlanden een zorgplicht voortvloeit voor uitgeprocedeerde minderjarige kinderen en hun moeder.

1.5.

Appellante heeft op 10 oktober 2012 bezwaar gemaakt tegen het besluit van

25 september 2012. In het kader van de behandeling van dit bezwaarschrift is op

1 november 2012 een hoorzitting gehouden. Daarbij heeft appellante haar tweede aanvraag ingetrokken en is met het college afgesproken dat de in de tweede aanvraag vermelde omstandigheden bij de behandeling van het bezwaarschrift tegen de eerste aanvraag worden betrokken. Op deze hoorzitting is verder besproken dat appellante van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) een uitnodiging heeft ontvangen om zich bij deze dienst te melden. Deze uitnodiging is teruggestuurd naar DT&V. Zij wil zich daar niet melden. De opvang via DT&V is detentie en niet geschikt voor kinderen. Appellante heeft aangegeven dat zij met haar zoontje bij een kennis woont, maar dat zij daar niet langer kan blijven. Het is aan het college haar opvang te bieden.

1.6.

Bij besluit van 21 december 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante de mogelijkheid heeft gebruik te maken van de voorzieningen die haar en haar zoontje in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) ter beschikking staan. Dat appellante van deze mogelijkheid geen gebruik wil maken heeft niet tot gevolg dat het college gehouden is haar opvang te bieden.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Het oordeel van de rechtbank is in lijn met de uitspraken van de Raad van

22 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5814, 16 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1438 en met het oordeel dat door de Raad is neergelegd in rechtsoverweging 5.7 van de uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995. De Raad verenigt zich dan ook met dit oordeel. Het lag op de weg van appellante gebruik te maken van de binnen het vreemdelingenrecht voor appellante en haar zoontje beschikbare opvangvoorzieningen. De Raad wijst er in dit verband op dat het asielzoekerscentrum Katwijk al in juli 2011 is aangewezen als zogenoemde gezinsopvanglocatie. Het feit dat appellante heeft geweigerd met DT&V in gesprek te gaan komt voor haar rekening en risico.

3.2.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries, als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) G.J. van Gendt

IvR