Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3073

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
12-6217 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling mate arbeidsongeschiktheid. Geen sprake van toegenomen beperkingen. Zorgvuldig medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/367
JB 2014/220
ABKort 2014/345

Uitspraak

12/6217 WAO

Datum uitspraak: 19 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 oktober 2012, 11/5534 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Thailand (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft zijn standpunt in een tweetal brieven nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft vanaf 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Bij besluit van 27 mei 2009 is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%. Het beroep tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Bij brief van 23 april 2010 heeft appellant bij het Uwv gemeld dat zijn klachten zijn toegenomen. Appellant is in oktober 2010 voor deskundigenonderzoek verschenen bij neuroloog Mispelblom Meijer, psychiater Hassing en oogarts Van den Horn. De deskundigen hebben hun bevindingen gerapporteerd aan de verzekeringsarts. Appellant is onderzocht door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van

1 november 2010 geconcludeerd dat de belastbaarheid ongewijzigd is in vergelijking met de voorgaande Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Bij besluit van 8 juli 2011 is de mate van arbeidsongeschiktheid per 17 februari 2010 ongewijzigd vastgesteld op 35 tot 45%.

1.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dossieronderzoek geconcludeerd dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen in vergelijking met de belastbaarheid weergegeven op de FML van 18 mei 2009. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van

8 juli 2011 is bij besluit van 6 oktober 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat op goede gronden is aangenomen dat appellant voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De nekklachten van appellant zijn voldoende onderzocht door de neuroloog en de verzekeringsarts. Volgens de rechtbank is niet aannemelijk dat de oogklachten beperkingen opleveren en zijn de oogklachten - zo er al sprake zou zijn van glaucoma - het gevolg van een nieuwe ziekteoorzaak. Er zijn geen medische gegevens ingebracht die de stelling van appellant staven dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn depressieve klachten. Wat betreft de hoofdpijnklachten heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen reden is te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat geen sprake is van een langdurige vaatvernauwing.

3.1.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte geen toegenomen beperkingen zijn aangenomen.

3.2.

Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat de beperkingen juist zijn vastgesteld en dat het medisch onderzoek zorgvuldig is.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft gesteld dat de medische deskundigen hun concept-rapport ter correctie aan appellant hadden moeten toesturen, hem een afschrift van hun (definitieve) rapport hadden moeten sturen en dat de verzekeringsarts de resultaten van het onderzoek met appellant had moeten bespreken. Volgens appellant is de procedure in strijd met het beginsel van equality of arms. Voorts heeft appellant gewezen op medische richtlijnen. Het Uwv heeft gesteld dat appellant niet tekort is gedaan in zijn verweermogelijkheden. De Raad overweegt dat appellant zijn zienswijze in het gesprek met de door het Uwv ingeschakelde deskundigen naar voren heeft kunnen brengen. De rapporten van de deskundigen zijn appellant in bezwaar toegezonden, zodat appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep gelegenheid heeft gehad te reageren op deze rapporten. Niet aannemelijk is dat appellant onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze te geven of anderszins in zijn procedurele belangen is geschaad doordat de inhoud van de rapporten niet eerder dan in bezwaar (schriftelijk) is meegedeeld. Anders dan in het door appellant aangehaalde arrest van 18 maart 1997 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 21497/93 (Mantovanelli), is in dit geval geen sprake van een onderzoek in opdracht van de rechter, maar in opdracht van een bestuursorgaan. De omstandigheid dat de deskundigen hun rapport niet ter correctie aan appellant hebben gezonden, brengt in dit geval niet mee dat het bestreden besluit niet mede op deze rapporten mag worden gebaseerd. In het midden kan daarom blijven of uit de door appellant genoemde richtlijnen en standaarden, waaronder de richtlijn Medische specialistische rapportage, volgt dat de deskundigen of het Uwv gehouden zouden zijn de deskundigenrapporten voorafgaand ter correctie aan appellant te (laten) sturen.

4.2.

Appellant stelt voorts dat de oogarts ten onrechte een oordeel heeft gegeven over zijn psychische toestand. Appellant wijst erop dat de oogarts, anders dan de neuroloog, de vraagstelling niet heeft gecorrigeerd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de deskundigen zich hebben beperkt tot het eigen vakgebied. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconstateerd dat gelet op het rapport van de oogarts deze zich geen psychiatrische maar alleen een oogheelkundige expertise heeft toegemeten. De Raad heeft geen reden aan deze constatering te twijfelen en ziet ook voor het overige geen enkele aanwijzing dat de oogarts door de kennelijke-verschrijving in de vraagstelling de grenzen van zijn vakgebied zou hebben overschreden.

4.3.

Appellant heeft gesteld dat een beperking in verband met droge ogen dient te worden aangenomen. Hij meent dat van hem niet mag worden verwacht dat hij ten behoeve van het verrichten van werk medicatie gebruikt tegen droge ogen. Volgens appellant maakt het werk hem juist ziek. De Raad verwerpt dit betoog van appellant. De oogarts heeft onder meer geconstateerd dat sprake is van droge ogen. Volgens de oogarts zijn er geen beperkingen in het functioneren als gevolg van de gevonden afwijkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat ten aanzien van de droge ogen geen sprake is van een ernstige afwijking en dat de constatering van de oogarts dat er mogelijk een wat geringe traanspiegel is, geen reden is om beperkingen vast te stellen. De Raad ziet geen reden om aan deze overwegingen te twijfelen. De omstandigheid dat appellant kunsttranen nodig heeft om (beeldscherm)werk te kunnen verrichten, leidt niet tot een ander oordeel.

4.4.

Appellant heeft gesteld dat de rapporten uit 2008 en 2010 van de psychiater tegenstrijdig zijn aan elkaar, omdat de psychiater een gewijzigde diagnose heeft gesteld, terwijl zij aangeeft dat de situatie in 2008 en 2010 dezelfde is. Naar het oordeel van Raad is niet aannemelijk dat de gewijzigde diagnose heeft geleid tot vaststelling van onvoldoende beperkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft - in navolging van de verzekeringsarts - geconcludeerd dat een toename van de beperkingen in verband met psychische klachten niet aannemelijk is. Deze conclusie is gebaseerd op de bevindingen van de psychiater. De wijziging van de diagnose brengt nog niet mee dat sprake is van meer beperkingen. Daarbij is van belang dat de psychiater heeft opgemerkt dat in vergelijking met het onderzoek in 2008 er geen wezenlijke veranderingen in de psychiatrische bevindingen zijn.

4.5.

De stelling van appellant dat de neuroloog onvoldoende onderzoek heeft gedaan, dient te worden verworpen. Voor de stelling dat de neuroloog een test achterwege heeft gelaten, heeft de Raad in het rapport van deze deskundige geen aanwijzingen gevonden, nog daargelaten dat de enkele omstandigheid dat een test achterwege is gebleven, onvoldoende is om aan te nemen dat het onderzoek - dat gericht is op het vaststellen van de beperkingen voor arbeid - onzorgvuldig is.

4.6.

De Raad verwerpt de stelling van appellant dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte de hoorzitting niet heeft bijgewoond. Gelet op het onderzoek van de verzekeringsarts en de in opdracht van het Uwv verrichte onderzoeken van de deskundigen is het naar het oordeel van de Raad niet onzorgvuldig dat de bezwaarverzekeringsarts zijn conclusies niet op eigen onderzoek maar alleen op dossieronderzoek heeft gebaseerd. In bezwaar is met toestemming van appellant de hoorzitting achterwege gebleven.

4.7.

Appellant heeft gesteld dat van hem niet kan worden verlangd dat hij een contra-expertise laat verrichten, omdat de in het dossier aanwezige rapporten niet helder zijn en onduidelijk is wat bedoeld wordt met objectiveerbaarheid. Appellant kan voorts geen nadere medische gegevens overleggen, omdat de door hem geraadpleegde neuroloog niet bereid is het rapport aan te vullen en de behandelend revalidatiearts een verzoek van een andere arts verlangt om gegevens te verstrekken. Ook op dit punt is de procedure volgens appellant in strijd met het beginsel van equality of arms en voorts met het recht op een procedure op tegenspraak. De Raad overweegt dat de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts zijn gebaseerd op uitgebreid en zorgvuldig onderzoek door de ingeschakelde deskundigen en de (bezwaar)verzekeringsartsen. Gelet daarop heeft het op de weg van appellant gelegen, die stelt dat zijn beperkingen onvoldoende zijn onderkend, om gegevens over te leggen die aanleiding kunnen geven tot twijfel aan de juistheid of volledigheid van het medische onderzoek. De door appellant genoemde moeilijkheden bij het verkrijgen van tegenbewijs kunnen niet voor risico van het Uwv worden gebracht. Geen sprake is van schending van het beginsel van equality of arms of het recht op een eerlijk proces, zoals deze besloten liggen in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.8.

Nu appellant in hoger beroep geen informatie heeft overgelegd - bijvoorbeeld afkomstig van medische behandelaars - die aanleiding kunnen geven tot twijfel aan de vastgestelde beperkingen, is aannemelijk dat de vastgestelde beperkingen juist zijn. Voor een onderzoek door een deskundige in opdracht van de Raad is geen aanleiding.

4.9.

Uit de overwegingen onder 4.1 tot en met 4.8 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) S. Aaliouli

HD