Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3070

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-09-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
13-620 MAW-T
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb of een nieuwe, zelfstandige aanvraag?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2014/219
ABKort 2014/348
TAR 2014/193

Uitspraak

13/620 MAW-T

Datum uitspraak: 18 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
19 december 2012, 12/7753 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Commandant van het Diensten Centrum Internationale Ondersteuning Defensie (commandant)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft N. Bertrand hoger beroep ingesteld.

De Minister van Defensie (minister) heeft een verweerschrift ingediend. Verder heeft de minister bij brief van 20 juni 2014 een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door N. Bertrand. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.C.H. Pot.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was vanaf 1 juni 2007 geplaatst bij het Nederlands Administratief Korps Supreme Headquarters Allied Powers Europe (NAK SHAPE) in België. Hij kwam deze periode in aanmerking voor een tegemoetkoming in voedingskosten. Deze kosten konden worden gedeclareerd door middel van maandelijkse declaratieformulieren. Hierop konden de dagen van de maand worden aangekruist waarover een tegemoetkoming werd aangevraagd. Appellant heeft, met gebruikmaking van deze formulieren, steeds aanspraak gemaakt op een tegemoetkoming over doordeweeks gewerkte dagen.

1.2. Op 20 mei 2011 heeft appellant verzocht om een tegemoetkoming in niet-gedeclareerde voedingskosten over de periode 1 juni 2007 tot 1 maart 2011. Dit verzoek had betrekking op de zondagen waarop appellant vanuit Nederland in België aankwam voorafgaand aan een werkweek. De minister heeft dit verzoek bij besluit van 24 januari 2012 afgewezen.

1.3. Het bezwaar daartegen heeft de minister bij besluit van 3 juli 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hierbij is er door de minister op gewezen dat in de salarisspecificaties van juli 2007 tot en met maart 2011 steeds is vermeld wat de hoogte is van de verleende tegemoetkoming en op welke periode de tegemoetkoming betrekking heeft. Appellant heeft tegen deze besluiten geen bezwaar gemaakt. Volgens de minister moet het verzoek van

20 mei 2011 worden opgevat als een verzoek om terug te komen van deze onherroepelijk geworden besluiten, nu de in dit verzoek genoemde data binnen de periodes vallen die in deze besluiten zijn vermeld. Verder is volgens de minister geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, zodat er geen aanleiding is om terug te komen van de desbetreffende besluiten.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft aangenomen dat het verzoek van 20 mei 2011 moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van in rechte vaststaande besluiten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant de desbetreffende zondagen niet op de declaratieformulieren heeft aangekruist en dus geen aanspraak heeft gemaakt op een tegemoetkoming over die dagen. Daarmee zijn volgens de rechtbank de zondagen wel degelijk, zij het impliciet, in de toenmalige aanvragen aan de orde geweest. Verder was de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

In de eerste plaats overweegt de Raad ambtshalve het volgende. Op grond van artikel 109, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) kan aan de militair gedurende zijn verblijf in werkelijke dienst, naar regels bij ministeriele regeling te stellen, van rijkswege voeding worden verstrekt. Dit is nader geregeld in artikel 12, vijfde en zesde lid, van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD). Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het AMAR in verbinding met artikel 1, aanhef en onder b, van het VBD is deze bevoegdheid toebedeeld aan de commandant. Het bestreden besluit is onbevoegd genomen, nu het niet is genomen door of namens de commandant. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Nu de commandant bij brief van 30 juli 2014 het bestreden besluit voor zijn rekening heeft genomen, ziet de Raad aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen worden gelaten.

3.2.

Anders dan de rechtbank en de minister hebben geoordeeld, is in dit geval geen sprake van een herhaalde aanvraag waarop artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrekking heeft, maar van een nieuwe, zelfstandige aanvraag. Voor een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb is onder meer vereist dat de aanvraag is gericht op het in het leven roepen van hetzelfde rechtsgevolg als waarop de eerdere aanvraag zag. Aan die voorwaarde is in dit geval niet voldaan. De eerder door appellant ingediende aanvragen waren alleen gericht op tegemoetkomingen over doordeweekse dagen. De naar aanleiding daarvan in de salarisspecificaties opgenomen beslissingen hebben dan ook alleen betrekking op die dagen en kunnen niet worden geacht (impliciet) mede te zien op de desbetreffende zondagen. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank en de minister ten onrechte uitsluitend hebben beoordeeld of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

3.3.

Op grond van artikel 12, vijfde lid, van het VBD heeft de in een gebied buiten Nederland geplaatste militair als bedoeld in artikel 12 van de Regeling huisvesting en voeding militairen en die zelf voor betaling van voeding zorg dient te dragen, aanspraak op een tegemoetkoming:

a. indien naar het oordeel van de commandant gebruik kan worden gemaakt van een passende, voor militairen bestemde eetgelegenheid: het voor het betreffende gebied geldende bedrag dat is opgenomen in tabel 8, vermeerderd met het bedrag van een toeslag, indien deze door de militair is verschuldigd;

b. in de overige gevallen: de naar het oordeel van de commandant noodzakelijk gemaakte kosten tot een maximum van de vergoedingen op basis van de Regeling dienstreizen defensie, bijlage C, voor het betrokken gebied of gebiedsdeel, waarbij na zestig dagen verblijf aldaar op het aldus berekende bedrag 25 procent in mindering wordt gebracht.


3.4. Gelet op hetgeen partijen hierover ter zitting hebben verklaard, is in dit geval het bepaalde in artikel 12, vijfde lid, aanhef en onder b, van het VBD van toepassing. Deze bepaling geeft een aanspraak op een tegemoetkoming in naar het oordeel van de commandant noodzakelijk gemaakte kosten van voeding en sluit toekenning van een tegemoetkoming voor voedingskosten voor zondagen niet uit. De commandant heeft zich er in dit verband op beroepen dat als gedragslijn geldt dat voor de zondagen geen tegemoetkoming wordt verleend. Deze gedragslijn blijkt uit een interne e-mail van 23 maart 2012, waarin onder meer is vermeld: “Vanaf heden mogen voeding declaraties tijdens terugreis op zondagen in België en Luxemburg niet meer worden goedgekeurd.” Naar aanleiding hiervan overweegt de Raad dat deze gedragslijn, wat daar verder ook van zij, nog niet gold ten tijde van het verzoek van

20 mei 2011 en de periode waarop dit verzoek betrekking heeft. Daarbij wijst de Raad er ook op dat appellant onweersproken heeft gesteld dat in de desbetreffende periode 30 tot 50 collega’s wel in aanmerking zijn gebracht voor tegemoetkomingen in de hier aan de orde zijnde situatie.

3.5.

Uit hetgeen is overwogen onder 3.2 tot en met 3.4 volgt dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet op een deugdelijke motivering berust.

4.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet de commandant op te dragen dit gebrek te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt de commandant op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 3 juli 2012 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 september 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) S.K. Dekker

HD