Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:307

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
12-5185 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5185 WWB, 12/5186 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

15 augustus 2012, 12/2864 en 12/2865 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en[Appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F.L.L. Vermeeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2013. Voor appellanten is verschenen mr. Vermeeren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.K. Kant.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 28 juli 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een bij de sociale recherche ontvangen tip dat appellanten samenwonen op het adres van appellante, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn twee processen-verbaal van bevindingen van de politie Hollands-Midden overgedragen aan het college. Voorts zijn internetbronnen geraadpleegd, heeft er een huisbezoek plaatsgevonden, en is appellante verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van

3 oktober 2011.

1.3.

Het college heeft in de resultaten van het onderzoek aanleiding gevonden om bij afzonderlijke besluiten van 17 oktober 2011 de bijstand van appellante met ingang van

1 augustus 2009 in te trekken en de over de periode van 1 augustus 2009 tot en met

31 augustus 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 31.666,07 van ieder van appellanten terug te vorderen op de grond dat appellanten vanaf 1 augustus 2009 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellant heeft voldoende inkomsten om in het levensonderhoud van appellante te voorzien. Hierdoor heeft appellante ten onrechte bijstand ontvangen.

1.4.

Bij afzonderlijke besluiten van 20 februari 2011, lees 2012, (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 17 oktober 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard. Voor wat betreft de periode van 1 november 2010 tot 1 maart 2011 wordt afgezien van intrekking en terugvordering. Ten gevolge hiervan bedraagt de totale terugvordering over de periode van 1 augustus 2009 tot 1 november 2009 (lees: 2010) en van 1 maart 2010 (lees: 2011) tot 1 september 2011 in totaal € 29.438,45.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Samengevat betwisten zij dat zij in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat appellant voldoende inkomsten heeft genoten om in het levensonderhoud van appellante en haar kinderen te voorzien. Uit de verklaring van appellante blijkt niet dat zij vanaf 2009 een gezamenlijke huishouding met appellant heeft gevoerd. Volgens appellanten is geen sprake van wederzijdse zorg. Voorts voeren appellanten aan dat de kluswerkzaamheden van appellant incidenteel zijn geweest en dat hieruit geen inkomsten zijn genoten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep ligt de vraag ter beantwoording voor of er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellanten in de periode van 1 augustus 2009 tot 1 november 2010 (periode 1) en in de periode van 1 maart 2011 tot 1 september 2011 (periode 2) een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3.

Appellante heeft verklaard dat ze sinds november 2010 echt samenwoont met appellant. Hieruit volgt dat appellanten vanaf november 2010 hun hoofdverblijf in de woning van appellante hadden, zodat vaststaat dat voor periode 2 aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Anders dan appellanten hebben betoogd, wordt geen aanleiding gezien hierover ten aanzien van periode 1 anders te oordelen. Appellant heeft verklaard dat hij in 2007 en 2008 zwervende is geweest en sinds 2009 bij appellante woont. Deze verklaring komt overeen met de verklaring van appellante. Zij heeft op 25 augustus 2011 verklaard dat appellant in juli 2009 ineens bij haar voor de deur stond, dat hij vanaf dat moment heeft geholpen met het opknappen van de woning en dat zij daar feitelijk nog steeds mee bezig zijn. Appellant beschikte in periode 1 ook niet over een ander feitelijk woonadres dan dat van appellante. Dat appellante het feitelijk samenwonen sinds 2009 niet meteen als samenwoning heeft beschouwd maar het zag als logeren maakt dit niet anders. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn niet van belang.

4.4.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of in een concreet geval aan het zorgcriterium is voldaan.

4.5.Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.6.

De beschikbare gegevens bieden een toereikende grondslag voor de conclusie dat voldaan is aan het criterium van wederzijdse zorg. Zo heeft appellante tijdens haar verhoor verklaard dat appellant haar sinds juli 2009 helpt met het opknappen van haar woning, dat appellant een vaderfiguur is voor haar kinderen, dat appellant meehelpt in de huishouding en dat appellante hem te eten geeft, voor zijn kleding zorgt en hem verzorgt tijdens zijn ziekte. Verder betaalt appellante de kosten voor appellant voor zijn mobiele telefoon, zijn ziektekosten en de huur van zijn televisie.

4.7.

Nu aan beide criteria van artikel 3, derde lid, van de WWB is voldaan, dienen appellanten op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB als gehuwden te worden aangemerkt. Dit betekent dat appellante gedurende de hier te beoordelen

perioden 1 en 2 niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

4.8.

Appellante heeft niet aan het college meegedeeld dat zij gedurende de perioden 1 en 2 een gezamenlijke huishouding met appellant heeft gevoerd, zodat zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu als gevolg van die schending aan appellante ten onrechte als zelfstandig rechtssubject bijstand is verleend, was het college op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de perioden 1 en 2 in te trekken. Tegen de wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheid zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.9.

Tevens is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering, zodat het college bevoegd was de in perioden 1 en 2 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen. Appellanten hebben aangevoerd dat het college ten onrechte is overgegaan tot (volledige) terugvordering. Zij stellen zich op het standpunt dat zij, indien een gezamenlijke huishouding tussen hen moet worden aangenomen, samen aanspraak hadden gehad op (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden aangezien zij in de perioden 1 en 2 niet beschikten over voldoende middelen om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien.

4.9.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 12 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:8094), is het college, nu vaststaat dat appellante te kort is geschoten in haar wettelijke verplichting tot het geven van juiste en volledige inlichtingen, in beginsel bevoegd de over de periode 1 en 2 gemaakte kosten van bijstand volledig terug te vorderen. Het is dan aan appellanten om aannemelijk te maken dat, ook als appellante haar verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen, aan hen volledige, althans aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden over die perioden zou zijn verstrekt.

4.9.2.

Appellanten zijn hierin niet geslaagd, reeds omdat zij de financiële situatie van appellant niet concreet en op verifieerbare wijze uiteen hebben gezet. Onduidelijk is gebleven hoeveel appellant in de perioden 1 en 2 heeft gewerkt als klusser en wat hij hiermee heeft verdiend. Dit betekent dat het college niet meer kan vaststellen of en, zo ja, in welke omvang aan appellanten bijstand over de perioden 1 en 2 zou zijn verstrekt. In het standpunt van appellante kan daarom geen aanleiding worden gezien voor het oordeel dat het college van (volledige) terugvordering had moeten afzien.

4.9.3.

Het college voert het beleid dat van terugvordering wordt afgezien indien daarvoor dringende redenen bestaan. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

4.9.4.

In wat appellante heeft aangevoerd over de financiële omstandigheden van het gezin ligt geen dringende reden besloten op grond waarvan het college had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering. Appellante heeft enkel in algemene termen verwezen naar haar gezinssituatie en naar de ontstane financiële problemen mede als gevolg van de omstandigheid dat zij appellant ook heeft onderhouden terwijl zij een uitkering ontving naar de norm voor een alleenstaande ouder. Van onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen is niet gebleken. Evenmin leidt wat appellante heeft aangevoerd tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van dit beleid had moeten afwijken.

4.10.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) P. Uijtdewillegen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD