Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3065

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
12-981 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging Zw-uitkering. Geschikt voor de geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/981 ZW

Datum uitspraak: 10 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ̕s-Gravenhage van

4 januari 2012, 11/4231 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.D. Koren, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 september 2012 heeft mr. Koren de Raad meegedeeld zich terug te trekken als gemachtigde van appellante.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2013, waar appellante -met bericht- niet is verschenen. Het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

De Raad heeft het onderzoek heropend en drs. F.M. Brouwer, verzekeringsarts, als deskundige benoemd.

Op 25 november 2013 heeft deze deskundige van zijn onderzoek rapport uitgebracht. Het Uwv heeft op dit rapport gereageerd.

Partijen hebben toestemming verleend voor afdoening zonder nadere zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als administratief medewerkster voor 20 uur per week. Op 10 oktober 2005 heeft zij zich vanuit dit werk ziekgemeld vanwege nek-, schouder-, en psychische klachten. Bij besluit van 18 december 2007 heeft het Uwv haar met ingang van 8 oktober 2007 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht werd. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Appellante heeft zich op 2 februari 2010, vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met schouder- en nekklachten. Zij is in het kader van deze ziekmelding meerdere keren op het spreekuur van een verzekeringsarts gezien, laatstelijk op 14 oktober 2010. Deze arts heeft haar, op basis van bevindingen uit het onderzoek op het spreekuur en verkregen informatie van de behandelend huisarts en neuroloog, met ingang van 18 oktober 2010 weer geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA-beoordeling geduide functies. Op basis van de bevindingen van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 14 oktober 2010 de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van appellante met ingang van 18 oktober 2010 beëindigd. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Bij besluit van 1 april 2011 (bestreden besluit) is dat bezwaar ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geen reden gezien om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig of onjuist te achten. Evenmin heeft zij aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft aanleiding gezien om aan het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 15 september 2011 een meerwaarde toe te kennen ten opzichte van het rapport van de door appellante geraadpleegde deskundige verzekeringsarts A. de Vries van 25 juli 2011.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de aangevallen uitspraak indruist tegen het motiveringsbeginsel nu daarin op geen enkele wijze door de rechtbank staat aangegeven waarom zij aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts meer belang toekent dan aan het oordeel van de door appellante geraadpleegde verzekeringsarts De Vries.

3.2.

De Raad heeft, als vermeld in de rubriek Procesverloop, ten behoeve van zijn oordeelsvorming verzekeringsarts Brouwer als deskundige geraadpleegd. In zijn rapport van 25 november 2013 heeft deze deskundige op grond van het door hem ingestelde onderzoek, voor zover hier van belang, geconcludeerd dat appellante vanwege diverse ziekten en aandoeningen op de datum in geding beperkt was in het gebruik van haar nek, schouders, armen en handen, vooral de linker hand en pols. Voorts heeft de deskundige gesteld dat de mogelijkheden en beperkingen van appellante niet juist zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 23 november 2007. Tot slot heeft de deskundige aangegeven welke beperkingen, naar zijn mening, per datum in geding voor appellante dienen te gelden.

3.3.

In reactie op dit rapport heeft het Uwv een rapport van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige overgelegd en op basis van de inhoud van deze rapporten geconcludeerd dat, ook indien wordt uitgegaan van de beperkingen zoals beschreven door verzekeringsarts Brouwer, appellante per de datum in geding geschikt te achten is voor minimaal één van de destijds in het kader van de Wet WIA geduide functies, zodat geen aanleiding wordt gezien het in het bestreden besluit ingenomen standpunt voor onjuist te houden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel leidt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA.

4.2.

Met betrekking tot de voor appellante geldende beperkingen wordt voorop gesteld dat als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er zijn geen specifieke bezwaren naar voren gebracht die een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de in het rapport neergelegde zienswijze.

4.3.

Gelet op het vorenstaande dient in het onderhavige geschil dan ook de vraag te worden beantwoord of appellante ondanks haar beperkingen, zoals beschreven in het rapport van de door de Raad geraadpleegde deskundige Brouwer, per 18 oktober 2010, in staat geacht kan worden ten minste één van de destijds in 2006 in het kader van de WIA beoordeling aan haar voorgehouden functies te verrichten.

4.4.

In dit kader wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 14 mei 2014. In dit rapport wordt op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat, rekening houdende met de door verzekeringsarts Brouwer vastgestelde beperkingen, de belasting van de geselecteerde functies teamondersteuner (SBC-code 315090, functienummers 9071-0012-019/020) en administratief medewerker medisch archief (SBC-code 315130/functienummer 9311-0300-037), binnen de voor appellante geldende belastbaarheid blijft zodat wordt voldaan aan het vereiste dat zij per datum in geding voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA geschikt te achten is.

4.5.

Het hoger beroep van appellante slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en A.I. van der Kris en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) R.L. Rijnen

JL