Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3061

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
14-2480 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering ZW-uitkering. Afwijzing verzoek om kwijtschelding. Juiste aflossingscapaciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/2480 ZW

Datum uitspraak: 10 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

20 maart 2014, 13/416 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (BRD) (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 14 augustus 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij over de periode van 2 oktober 2006 tot en met 12 juni 2007 ten onrechte een uitkering op grond van de Ziektewet heeft ontvangen voor een bedrag van € 8.851,05. Het Uwv heeft dit bedrag als onverschuldigd betaald van appellant teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.2. Bij besluit van 3 september 2009 heeft het Uwv een verzoek van appellant om kwijtschelding van de in 1.1 vermelde vordering afgewezen. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 5 januari 2010 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het door appellant per maand af te lossen bedrag vastgesteld op € 50,- per maand.

1.3. Bij besluit van 6 januari 2010 heeft het Uwv bepaald dat appellant over het nog te betalen bedrag met ingang van 6 januari 2010 ook rente en invorderingskosten moet betalen.

1.4. Bij besluit van 3 augustus 2012 heeft het Uwv naar aanleiding van een inkomens- en vermogensonderzoek de aflossingscapaciteit van appellant vastgesteld op € 562,63 en het maandelijks door appellant af te lossen bedrag op € 281,31. Na verhoging van de hoofdsom met rente- en invorderingskosten heeft het Uwv het terug te vorderen bedrag vastgesteld op

€ 9.055,46. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 13 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor zover de beroepsgronden van appellant zich richten tegen de bij het besluit van 14 augustus 2008 bepaalde hoofdsom van de terugvordering en tegen de bij besluit van 6 januari 2010 bepaalde verhoging van deze hoofdsom met rente- en invorderingskosten, heeft de rechtbank geoordeeld dat deze buiten het bestek van de procedure vallen, omdat appellant tegen de desbetreffende besluiten geen rechtsmiddel heeft aangewend.

2.2. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het Uwv de aflossingscapaciteit van appellant op het juiste bedrag heeft vastgesteld. Daartoe heeft zij overwogen dat appellant niet heeft bestreden dat zich in zijn inkomenspositie een wijziging heeft voorgedaan, waardoor zijn netto inkomen is gestegen tot € 2.078,75 per maand, zodat het Uwv op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde bedragen bevoegd is de hoogte van het door appellant te betalen maandbedrag te wijzigen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het Uwv bij de berekening van de aflossingscapaciteit van appellant in voldoende mate rekening heeft gehouden met diens financiële situatie door voor appellant, die van tafel en bed gescheiden is, de beslagvrije voet voor een gehuwde te hanteren, rekening te houden met de door appellant te betalen zorgverzekeringspremie en het door appellant te betalen maandbedrag te beperken tot de helft van de voor hem berekende aflossingscapaciteit.

3.

In hoger beroep heeft appellant - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de door hem in beroep aangevoerde gronden, in het bijzonder die verwoord in zijn brief van 20 februari 2013. De rechtbank heeft voorts miskend dat het Uwv met het nemen van het bestreden besluit diverse nader door appellant genoemde internationaalrechtelijke bepalingen heeft geschonden. Daarbij heeft appellant benadrukt dat de terugvordering van het aan hem betaalde ziekengeld een gevolg is van een fout van het Uwv. Appellant heeft een aantal bankafschriften overgelegd ter ondersteuning van zijn stelling dat het Uwv de ernst van zijn financiële situatie heeft onderschat. Ten slotte heeft appellant er op gewezen dat zijn financiële situatie nog verder is verslechterd door een beslaglegging door het College van Zorgverzekeringen op een appellant toekomende private uitkering ten bedrage van € 409,37 per maand.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank dat uitsluitend ter beoordeling is of het Uwv de aflossingscapaciteit van appellant bij het bestreden besluit correct heeft vastgesteld is juist.

De Raad onderschrijft de daartoe door de rechtbank gegeven overwegingen zoals in 2.1 vermeld. Het op 28 maart 2014 aan appellant betekende beslag op zijn private uitkering kan evenmin in de boordeling worden betrokken, omdat dit beslag van na de datum in geding

(13 december 2012) dateert.

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de door haar daartoe gegeven, in 2.2 vermelde, overwegingen dat het Uwv de aflossingscapaciteit van appellant, rekening houdend met de voor appellant op grond van de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vast te stellen belastbaarvrije voet, bij het bestreden besluit op het juiste bedrag heeft vastgesteld. De door appellant in hoger beroep overgelegde bankafschriften, die alle van ruim na de datum in geding dateren, leiden niet tot een ander oordeel. Het beroep van appellant op de door hem genoemde internationale verdragsbepalingen kan niet slagen, omdat appellant zijn stelling dat het Uwv en de rechtbank deze bepalingen zouden hebben geschonden op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

4.3.

Op grond van hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

4.4.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en R.E. Bakker en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) W. de Braal

sg