Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3060

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
13-3490 WW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Ondeugdelijke motivering besluit. Uitgaande van een door werkgeefster in acht te nemen opzegtermijn van drie maanden, en met inachtneming van de in artikel 7:672, eerste lid, van het BW neergelegde aanzegtermijn, eindigde deze op 31 juli 2012. Dit brengt mee dat appellant betrokkene ten onrechte op de in het bestreden besluit vermelde grond uitkering over de periode van 1 augustus 2012 tot en met 31 oktober 2012 heeft ontzegd. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat voor de bepaling van het recht op WW-uitkering van betrokkene met ingang van 1 augustus 2012 gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt. Het Uwv zal worden opgedragen om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 16
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 672
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/326
RSV 2015/16

Uitspraak

13/3490 WW-T

Datum uitspraak: 10 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 februari 2013, 12/9733 (aangevallen tussenuitspraak) en tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2013, 12/9733 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Op verzoek van de Raad heeft appellant nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2014. Appellant is - met voorafgaande kennisgeving - niet verschenen. Betrokkene is verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is op 17 augustus 1999 in dienst getreden bij [naam werkgever] (werkgeefster). Op 10 mei 2000 hebben werkgeefster en betrokkene een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten. In artikel 2 van deze arbeidsovereenkomst is bepaald: “Na omzetting van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (…) geldt voor de medewerker een opzeggingstermijn van drie (3) volle kalendermaanden; bij opzegging door [naam werkgever] geldt een opzeggingstermijn van zes (6) volle kalendermaanden”.

1.2. In de arbeidsovereenkomst wordt verwezen naar de collectieve arbeidsovereenkomst voor het verzekeringsbedrijf Binnendienst (CAO Binnendienst), waarin onder meer is bepaald:

Artikel 1.2

(…)

3.

Van de bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst kan in voor werknemers gunstige zin worden afgeweken na overleg tussen de werkgever en vakorganisaties. Dit overleg behoeft echter slechts plaats te vinden als de hier bedoelde afwijking grote groepen of categorieën werknemers betreft.

4.

De arbeidsovereenkomst aangegaan tussen een werkgever en werknemer en een door de werkgever vastgesteld arbeidsreglement of arbeidsinstructie mogen op straffe van nietigheid geen bepalingen bevatten in strijd met deze cao.

(…)

Artikel 2.1

(…)

3.

Op de arbeidsovereenkomsten zijn in beginsel de wettelijke opzegtermijnen van toepassing. Met de werknemer kan schriftelijk een langere opzegtermijn worden overeengekomen (van ten hoogste zes maanden). Voor de werkgever geldt in dat geval diezelfde termijn, met dien verstande dat de werkgever bij arbeidsovereenkomsten van vijf jaar of langer ten minste de opzegtermijn hanteert die de wet daarvoor aangeeft.

1.3.

Werkgeefster en betrokkene hebben op 24 april 2012 een beëindigingsovereenkomst gesloten. Hierin is onder meer bepaald dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn van drie maanden met ingang van 1 augustus 2012 wordt beëindigd en dat werkgeefster betrokkene een beëindigingsvergoeding van € 42.500,- toekent.

1.4.

Betrokkene heeft per 1 augustus 2012 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft appellant betrokkene

WW-uitkering ontzegd tot en met 31 oktober 2012. Het door betrokkene gemaakte bezwaar tegen het besluit van 23 augustus 2012 is door appellant bij besluit van 3 september 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de arbeidsovereenkomst de door werkgeefster in acht te nemen opzegtermijn is verlengd tot zes maanden. Deze verlenging van de opzegtermijn is volgens appellant niet in strijd met het Burgerlijk Wetboek (BW) noch met de op de arbeidsverhouding van betrokkene van toepassing zijnde CAO Binnendienst.

2.1.

De rechtbank heeft met de aangevallen tussenuitspraak appellant in de gelegenheid gesteld om het door de rechtbank geconstateerde gebrek in de besluitvorming binnen vier weken te herstellen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat met de arbeidsovereenkomst van 10 mei 2000 de door werkgeefster in acht te nemen opzegtermijn is vastgesteld op zes maanden. De vraag is of bij arbeidsovereenkomst van de regeling in de CAO Binnendienst, die bepaalt dat de termijn voor werkgeefster in dit geval drie maanden bedraagt, mocht worden afgeweken. De rechtbank heeft vastgesteld dat artikel 1.2, derde lid, van de CAO Binnendienst bepaalt dat afwijking van de CAO onder voorwaarden mogelijk is, mits die ten gunste van de werknemer is. De rechtbank is van oordeel dat een langere opzegtermijn voor werkgeefster extra bescherming biedt aan de werknemer, zodat sprake is van een afwijking ten gunste van werknemer. Op grond van artikel 1.2, derde lid, van de CAO Binnendienst geldt in dat geval als voorwaarde voor afwijking van de bepaling in de CAO dat overleg tussen de werkgever en vakorganisaties over die afwijking heeft plaatsgevonden. Dat overleg mag achterwege blijven als de afwijking geen grote groepen of categorieën werknemers betreft. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant daarover geen standpunt heeft ingenomen. Appellant heeft volgens de rechtbank zijn besluit dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

2.2.

Appellant heeft geen aanleiding gezien het door de rechtbank vastgestelde gebrek te herstellen en voor de onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar hetgeen eerder was gesteld.

2.3.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. Naar het oordeel van de rechtbank blijft onzekerheid bestaan over de vraag of aan de voorwaarden is voldaan om van de CAO af te mogen wijken. Volgens de rechtbank dient die onzekerheid in het voordeel van betrokkene te werken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat aan die voorwaarden niet is voldaan en in de arbeidsovereenkomst een met de CAO strijdige opzegtermijn is opgenomen.

Artikel 12 van de Wet op de CAO bepaalt dat in een dergelijk geval de betreffende bepaling in de arbeidsovereenkomst nietig is en de inhoud van de CAO in haar plaats treedt. Dit betekent dat de opzegtermijn met ingang van 1 augustus 2012 verstreek en daarmee ook de fictieve opzegtermijn per die datum is verstreken.

3.

Appellant heeft zich gekeerd tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak. Volgens appellant staat artikel 2.1, derde lid, van de CAO Binnendienst de in de arbeidsovereenkomst opgenomen langere opzegtermijn voor werkgeefster uitdrukkelijk toe. Er is volgens appellant dan ook geen sprake van een afwijking van die CAO.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voorop gesteld wordt dat voor de vaststelling van de duur van de fictieve opzegtermijn in het geval van betrokkene bepalend is hetgeen over de door een werkgever en een werknemer overeen te komen opzegtermijn is geregeld in de CAO Binnendienst. Indien zou moeten worden aangenomen dat werkgeefster en betrokkene toepasselijkheid van die CAO niet zijn overeengekomen, dan volgt uit artikel 14 van de Wet op de CAO dat werkgeefster op grond van haar aansluiting bij de werkgeverorganisatie, partij bij de CAO, gehouden is de CAO na te komen bij de arbeidsovereenkomsten die zij aangaat met werknemers, die door de CAO niet gebonden zijn, tenzij in de CAO anders is bepaald. Dat daarvan bij de CAO Binnendienst sprake is, is niet gebleken.

4.2.

Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst is niet in overeenstemming met artikel 2.1, derde lid, van de CAO Binnendienst, aangezien op grond van de arbeidsovereenkomst de door werkgeefster in acht te nemen opzegtermijn twee maal zo lang is als de door betrokkene in acht te nemen opzegtermijn terwijl de CAO-bepaling als voorwaarde stelt dat bij verlenging van de wettelijke opzegtermijn voor een werknemer voor de werkgever dezelfde termijn geldt. In dat verband wordt overwogen dat artikel 7:672, achtste lid, van het BW ruimte biedt voor bepaling van een gelijke opzegtermijn voor een werkgever en een werknemer in afwijking van wat voor de duur van de opzegtermijnen is geregeld in het zesde lid van dat artikel.

4.3.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat een langere opzegtermijn extra bescherming biedt aan de werknemer en dat de verlenging van de door werkgeefster op grond van de arbeidsovereenkomst van 10 mei 2000 in acht te nemen opzegtermijn daarom een afwijking is ten gunste van betrokkene. Artikel 1.2, derde lid, van de CAO biedt de mogelijkheid om een dergelijke afwijking overeen te komen, maar stelt daaraan de voorwaarde dat door werkgeefster overleg is gevoerd met de vakorganisaties, behoudens in het geval de afwijking geen grote groepen of categorieën van werknemers betreft.

4.4.

Met de rechtbank wordt vastgesteld dat niet is gebleken van enig overleg van werkgeefster met de vakorganisaties over de in de arbeidsovereenkomst met betrokkene opgenomen afwijkende opzegtermijn. Ook in hoger beroep heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat overleg achterwege kon blijven omdat de afwijking geen grote groep of categorie van werknemers betrof. Omdat appellant na de aangevallen tussenuitspraak en ook na de aangevallen einduitspraak heeft afgezien van nader onderzoek ter zake, is er geen aanleiding om appellant nogmaals de gelegenheid te bieden zijn in overweging 3 weergegeven standpunt nader te onderbouwen. Voor zover nog onzekerheid bestaat over de vraag of is voldaan aan de in artikel 1.2, derde lid, van de CAO opgenomen voorwaarde van overleg van werkgeefster met de vakorganisaties dan wel dat bedoeld overleg in dit geval achterwege kon blijven, kan die onzekerheid niet ten nadele van betrokkene werken. De Raad houdt het er daarom voor dat in het geval van betrokkene niet aan die voorwaarde is voldaan en dat niet is komen vast te staan dat bedoeld overleg op de in dat artikellid genoemde grond achterwege kon blijven.

4.5.

Artikel 1.2, vierde lid, van de CAO Binnendienst, dat elke van de CAO afwijkende bepaling in een individuele arbeidsovereenkomst met nietigheid bedreigt, leidt ertoe dat sprake is van een zogenoemde standaard-CAO. Dat betekent dat - anders dan appellant voorstaat - niet zonder meer ten gunste van een werknemer van de CAO kan worden afgeweken, maar ook een afwijking ten gunste van een werknemer slechts is toegestaan als wordt voldaan aan daarvoor in de CAO opgenomen voorwaarden.

4.6.

De overwegingen 4.1 tot en met 4.5 leiden ertoe dat artikel 1.2, vierde lid, van de CAO Binnendienst tot gevolg heeft dat artikel 2 van de arbeidsovereenkomst van 10 mei 2000 nietig is en de door werkgeefster in acht te nemen opzegtermijn op grond van de eerste volzin van artikel 2.1, derde lid, van de CAO Binnendienst gelijk is aan de wettelijke opzegtermijn. Niet in geschil is dat werkgeefster op grond van de met betrokkene gesloten vaststellingsovereenkomst de juiste wettelijke opzegtermijn in acht heeft genomen.

4.7.

Het bestreden besluit wordt niet gedragen door een deugdelijke motivering. Uitgaande van een door werkgeefster in acht te nemen opzegtermijn van drie maanden, en met inachtneming van de in artikel 7:672, eerste lid, van het BW neergelegde aanzegtermijn, eindigde deze op 31 juli 2012. Dit brengt mee dat appellant betrokkene ten onrechte op de in het bestreden besluit vermelde grond uitkering over de periode van 1 augustus 2012 tot en met 31 oktober 2012 heeft ontzegd.

4.8.

De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat voor de bepaling van het recht op

WW-uitkering van betrokkene met ingang van 1 augustus 2012 gegevens nodig zijn waarover de Raad niet beschikt. Het Uwv zal met toepassing van artikel 8:51d van de Awb worden opgedragen om het in 4.7 aangeduide gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) S. Aaliouli

JvC