Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
12-1397 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Autohandel. Vermogensoverschrijding. Periodebeperking. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in (een gedeelte van) periode 2 wel recht op bijstand zou hebben gehad indien hij het college op de hoogte had gesteld van de afkoopsom en de op zijn naam staande motorvoertuigen. Het college behoefde dan ook niet van (een deel van) de terugvordering af te zien vanwege een vermeende onevenredigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1397 WWB en 12/1398 WWB

Datum uitspraak: 4 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 september 2011, 11/1046 (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 januari 2012, 11/1046 en 11/4329 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Ede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Veenstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en, desgevraagd, nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Veenstra. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 4 juli 1997 tot en met 8 juli 2010, met een onderbreking in 2002, bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst dat appellant beschikt over een bankrekening waarop per 31 december 2007 een saldo van € 8.907,- stond, heeft het team fraudepreventie van de gemeente Ede een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, zijn bankafschriften opgevraagd bij appellant, is bij diverse instanties om informatie verzocht en zijn op 2 december 2009 en 14 april 2010 gesprekken met appellant gevoerd. Uit het onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat appellant in verband met de afkoop van zijn levensverzekering op 20 september 2007 een bedrag van € 15.764,60 heeft ontvangen en dat hij een aantal motorvoertuigen op zijn naam heeft staan.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

24 september 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 februari 2011 (bestreden

besluit 1), de bijstand van appellant over de periode van 1 juli 2003 tot en met 8 juli 2010 in te trekken en de over de periode van 1 juli 2003 tot en met 30 juni 2010 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 87.559,42. Aan de besluitvorming heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft in de periode van 1 juli 2003 tot en met 19 september 2007 op meerdere punten de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van deze schending kan het recht op bijstand in die periode niet worden vastgesteld. Appellant heeft tevens de inlichtingenverplichting geschonden door van de ontvangst van het bedrag van € 15.764,60 en van de op zijn naam staande motorvoertuigen geen melding te maken. Als gevolg van deze schending heeft appellant vanaf 20 september 2007 geen recht op bijstand.

2.1.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank, samengevat, als volgt geoordeeld. Wat betreft de periode van 1 juli 2003 tot en met 19 september 2007 (periode 1) was het college slechts bevoegd om de bijstand in te trekken over een aantal binnen die periode gelegen maanden. Wat betreft de periode van 20 september 2007 tot en met 8 juli 2010 (periode 2) was het college bevoegd de bijstand in te trekken wegens vermogensoverschrijding. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen dat kleeft aan het bestreden besluit 1, voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over periode 1.

2.2.

Bij besluit van 5 oktober 2011 (bestreden besluit 2) heeft het college van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt door de intrekking van de bijstand van appellant over periode 1 te beperken tot de in de tussenuitspraak aangegeven maanden. In verband daarmee heeft het college het teruggevorderde bedrag verlaagd tot € 70.879,19, waarvan € 33.110,63 ziet op periode 1 en € 37.768,56 op periode 2.

3.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

4.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen tussenuitspraak gekeerd voor zover deze betrekking heeft op periode 2 en tegen de aangevallen einduitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. Hij heeft, kort samengevat en onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 21 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9423, aangevoerd dat terugvordering van het volledige bedrag van € 37.768,56 over periode 2 tot een onredelijke uitkomst leidt. In dit verband heeft appellant gesteld dat hem over - een deel van - periode 2 wel bijstand zou zijn verleend wanneer hij de ontvangst van de afkoopsom en de op zijn naam staande motorvoertuigen niet had verzwegen. Volgens appellant dient de terugvordering te worden gematigd tot het bedrag waarmee de vermogensgrens wordt overschreden, dus tot € 21.284,46.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in periode 2 over vermogen beschikte tot een bedrag van in totaal € 26.764,60, bestaande uit de door hem op 20 september 2007 ontvangen afkoopsom van € 15.764,60 en een drietal op zijn naam staande motorvoertuigen met een waarde van in totaal € 11.000,-. Evenmin is tussen partijen in geschil dat in periode 2 de voor appellant geldende vermogensgrens met € 21.284,46 werd overschreden, dat het college om die reden bevoegd was de bijstand over periode 2 in te trekken en dat het college tevens bevoegd was de kosten van bijstand over die periode van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 37.768,56. Appellant bestrijdt uitsluitend de wijze waarop het college in zijn geval van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt.

5.2.

Appellant heeft in dit verband een beroep gedaan op de onder 3 vermelde uitspraak van de Raad van 21 april 2009. De Raad heeft in die uitspraak onder meer overwogen dat de terugvordering bij vermogen boven de vrijlatingsgrens tot uitkomsten kan leiden die voor de betrokkene(n) onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat kennelijk wordt beoogd, te weten: het ongedaan maken van de financiële gevolgen van inlichtingenverzuim. Daarvan zal in situaties van inlichtingenverzuim sprake zijn indien de betrokkene aannemelijk maakt dat over (een gedeelte van) de periode van de terugvordering wel bijstand zou zijn verleend wanneer de door hem voor het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest.

5.3.

Het college heeft er in zijn verweerschrift op gewezen dat appellant, naast de in 4.1 vermelde vermogensbestanddelen, in periode 2 ook nog beschikte over een niet gemelde en niet met hypotheek bezwaarde garagebox en dat hij dit onroerend goed op 11 oktober 2011 heeft verkocht voor een bedrag van € 20.000,-. Appellant heeft het bezit en de verkoop van de garagebox niet betwist, maar wel dat hij van de garagebox geen melding had gemaakt. Wat daarvan ook zij, vaststaat dat de garagebox niet is betrokken bij de vaststelling van het vermogen van appellant per 20 september 2007 en dat als dit vermogensbestanddeel daarbij wel wordt betrokken, het bedrag waarmee de voor appellant geldende vermogensgrens wordt overschreden hoger is dan het over periode 2 teruggevorderde bedrag.

5.4.

Reeds gelet op 5.3 heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in (een gedeelte van) periode 2 wel recht op bijstand zou hebben gehad indien hij het college op de hoogte had gesteld van de afkoopsom en de op zijn naam staande motorvoertuigen. Het college behoefde dan ook niet van (een deel van) de terugvordering af te zien vanwege een vermeende onevenredigheid als bedoeld in 5.2.

5.5.

Uit 5.1 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak, beiden voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komen.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter, W.F. Claessens en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) T.A. Meijering

IJ