Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3057

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
22-09-2014
Zaaknummer
11-7309 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft overeenkomstig de bijlage bij het Protocol huishoudelijke verzorging van het Verstrekkingenboek, waarin de tijdsnormeringen voor hulp bij het huishouden staan, 90 minuten per week toegekend voor het zwaar huishoudelijk werk voor een alleenstaande in een seniorenwoning/flat. Het college heeft voorts 30 minuten per week toegekend voor de hobbykamer waarover appellant beschikt. Naar het oordeel van de Raad is appellant hiermee niet tekort gedaan. De Raad zal, nu het college het standpunt niet heeft neergelegd in een nieuw besluit, zelf in de zaak voorzien en beslissen dat appellant in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden voor de periode van 1 juli 2011 tot en met 16 december 2015 met een omvang van vier uur per week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7309 WMO

Datum uitspraak: 17 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

8 november 2011, 11/571 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roermond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.W. Weekers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader [naam] en mr. Weekers. Het college heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het college in de gelegenheid gesteld om de mogelijkheid van appellant tot het verrichten van licht huishoudelijk werk en de verzorging van de was nader te onderzoeken en de gevolgen van dit nadere onderzoek voor de indicatie op die onderdelen aan te geven.

Bij brief van 14 februari 2014 heeft het college een adviesrapport van de MO zaak van

10 februari 2014 (adviesrapport) aan de Raad toegestuurd.

Appellant heeft een reactie ingezonden.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een uitgebreide weergave van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Bij besluit van 7 februari 2011 heeft het college appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning een voorziening in de vorm van hulp bij het huishouden voor drie uur per week voor de periode van 17 december 2010 tot en met 16 december 2015 toegekend. Voor het licht huishoudelijk werk is 30 minuten toegekend, voor het zwaar huishoudelijk werk 90 minuten, voor de extra kamer 30 minuten en voor de verzorging van de was 30 minuten.

1.2.

Bij besluit van 28 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 februari 2011 deels gegrond verklaard. Over de periode van 1 april 2011 tot en met 30 juni 2011 is hulp bij het huishouden voor 4,5 uur per week toegekend als gewenningsperiode. Voor het overige heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

Naar aanleiding van het adviesrapport heeft het college geconcludeerd dat de indicatie voor hulp bij het huishouden voor licht huishoudelijk werk en de verzorging van de was moet worden aangepast en daarvoor de maximaal te indiceren tijd van 60 minuten per week moet worden toegekend. De duur van de totale indicatie komt daarmee uit op vier uur per week.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De bevindingen van het adviesrapport leiden tot de conclusie dat het college ten onrechte niet aan appellant de maximaal te indiceren tijd voor het licht huishoudelijk werk en de verzorging van de was heeft toegekend. Daarom zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

5.2.

Appellant heeft in reactie op het nadere standpunt van het college aangevoerd dat ook de indicatie voor het zwaar huishoudelijk werk moet worden aangepast, omdat zijn appartement een badkamer, een slaapkamer, een hobbykamer, een keuken, een woonkamer en een apart toilet omvat. Ingevolge het Verstrekkingenboek Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente Roermond 2010 (Verstrekkingenboek) moet daarom een indicatie van 180 minuten per week worden toegekend. Zoals reeds ter zitting is besproken slaagt zonder nadere medische onderbouwing niet de beroepsgrond van appellant dat ten onrechte geen tijd is geïndiceerd voor het bereiden van warme maaltijden.

5.3.

Het college heeft overeenkomstig de bijlage bij het Protocol huishoudelijke verzorging van het Verstrekkingenboek, waarin de tijdsnormeringen voor hulp bij het huishouden staan, 90 minuten per week toegekend voor het zwaar huishoudelijk werk voor een alleenstaande in een seniorenwoning/flat. Het college heeft voorts 30 minuten per week toegekend voor de hobbykamer waarover appellant beschikt. Naar het oordeel van de Raad is appellant hiermee niet tekort gedaan. Voorts is niet gebleken dat appellant hiermee onvoldoende is gecompenseerd. De beroepsgrond van appellant dat voor het zwaar huishoudelijk werk 180 minuten per week moet worden toegekend, slaagt niet. Er is geen sprake van een situatie van een alleenstaande in een eengezinswoning dan wel van een twee-/meerpersoonshuishouden waarvoor, op grond van voormelde bijlage, in beginsel 180 minuten per week voor het zwaar huishoudelijk werk wordt toegekend.

5.4.

De Raad zal, nu het college het standpunt zoals verwoord onder rechtsoverweging 4 niet heeft neergelegd in een nieuw besluit, zelf in de zaak voorzien en beslissen dat appellant in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden voor de periode van 1 juli 2011 tot en met

16 december 2015 met een omvang van vier uur per week.

6.

Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 974,-- in beroep en op € 974,-- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 maart 2011;

- bepaalt dat aan appellant hulp bij het huishouden wordt toegekend naar een omvang van vier

uur per week voor de periode van 1 juli 2011 tot en met 16 december 2015;

- veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger

beroep tot een bedrag van in totaal € 1.948,--;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht vergoedt van in totaal € 153,-.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) P. Boer

IJ