Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
12-4614 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag omdat appellant beschikt over vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens. Terugvordering voorschot. De (...) gebreken in de advisering aan het college leiden tot de conclusie dat de rechtbank het college ten onrechte heeft gevolgd in zijn standpunt dat het rapport van de IBF-taxateur mocht worden gevolgd.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 31
Wet werk en bijstand 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/57
JWWB 2014/73

Uitspraak

12/4614 WWB

Datum uitspraak: 4 februari 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

11 juni 2012, 10/8171 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. H. Durdu, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Durdu. Als tolk was aanwezig W. Woning. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.S. van Tricht.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 7 januari 2010 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De aanvraag is op 11 januari 2010 ingediend. Bij besluit van 15 februari 2010 heeft het college appellant een voorschot van

€ 400,- toegekend.

1.2.

Op 9 oktober 2009 heeft het college het Internationaal Bureau Fraude van het UWV (IBF) verzocht onderzoek te doen naar vermogen, gebonden in een woning in Turkije, van [naam ex-echtgenote], de ex-echtgenote van appellant. Het IBF heeft het college op 16 februari 2010 geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek, dat door de Nederlandse Ambassade te Ankara (Turkije) is uitgevoerd. Uit dat onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van de ambassade van 5 januari 2010, komt naar voren dat appellant - en niet

[naam ex-echtgenote] - een woning in eigendom heeft in de gemeente [naam gemeente], Turkije (woning). De waarde van de woning is getaxeerd op € 26.190,-. De huurinkomsten van de woning zijn berekend op (omgerekend) € 117,- per maand.

1.3.

Bij brieven van 10 februari 2010 en 23 februari 2010 heeft het college appellant verzocht om nadere gegevens betreffende de woning. Appellant heeft aan die verzoeken voldaan, onder meer door overlegging van een eigendomsakte, een afschrift van de registratie in het kadaster, een belastingaangifte en gegevens over de huuropbrengst.

1.4.

Bij besluit van 9 april 2010 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant beschikt over vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens. Het college heeft, onder meer rekening houdend met de getaxeerde waarde van de woning, het totale vermogen van appellant bij aanvang van de bijstand berekend op € 17.049,92. Bij besluit van 12 april 2010 heeft het college het aan appellant verstrekte voorschot van € 400,- teruggevorderd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant geen recht heeft op bijstand en om die reden ook geen recht heeft op het voorschot.

1.5.

Bij besluit van 8 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 en 12 april 2010 ongegrond verklaard, met dien verstande dat het vermogen van appellant nader is vastgesteld op € 15.527,98.

1.6.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Evenals in bezwaar heeft appellant in beroep aangevoerd dat bij de taxatie door de door het IBF ingeschakelde taxateur (IBF-taxateur) ten onrechte is uitgegaan van een oppervlakte van de woning van 120 m2, aangezien de woning een oppervlakte heeft van 84,10 m2, en dat sprake is van een aanzienlijk lagere waarde dan die waarvan de IBF-taxateur uitgaat, namelijk ongeveer € 15.000,-. Bij het beroepschrift heeft appellant een rapport van een plaatselijke makelaar overgelegd, gedateerd 28 september 2010, waarin is geconcludeerd dat de waarde van de woning ligt tussen

30.000 TL en 33.000 TL.

1.7.

Hangende beroep heeft de door het IBF ingeschakelde taxateur op 25 juli 2011 een nader rapport uitgebracht, dat er in essentie op neerkomt dat weliswaar in eerste instantie is uitgegaan van een gebruiksoppervlak van de woning van 120 m2, maar dat, uitgaande van een oppervlak van ruim 84 m2, geen sprake zal zijn van waardevermindering, zodat de waarde gelijk is aan de eerder getaxeerde waarde.

1.8.

Ter zitting van de rechtbank van 26 januari 2012 is afgesproken dat het college de volgende vragen zal voorleggen aan de door het IBF ingeschakelde taxateur:

- Kunt u toelichten waarom de waarde van het appartement gelijk is gebleven, terwijl er sprake is van een kleiner gebruiksoppervlak (84,18 m2) dan waarvan aanvankelijk is uitgegaan (120 m2)?

- Kunt u aangeven welk beeld de buren u hebben gegeven van het interieur van het appartement?

- Kunt u aangeven wat de nummers zijn van de appartementen waarmee het appartement is vergeleken, wat de gebruiksoppervlakte van die appartementen is en wat de bouwkundige staat daarvan is?

- Kunt u - voor zover mogelijk met stukken onderbouwd - aangeven of er recentelijk appartementen in het gebouw zijn verkocht en wat de verkoopprijzen zijn van die appartementen?

- Kunt u een toelichting geven op de gehanteerde schattingsmethode, hoe deze methode in het onderhavige geval is toegepast en hoe de vastgestelde waarde tot stand is gekomen?”

1.8.1.

Bij rapport van 21 februari 2012 heeft de taxateur het volgende opgemerkt (samengevat). Omdat bij de vaststelling van de waarde van de woning de waarden van andere appartementen als voorbeeld zijn genomen, brengt de vaststelling dat de oppervlakte van de woning ruim 84 m2 bedraagt niet mee dat sprake is van waardeverlies. De woning kon niet van binnen worden bekeken. Daarom is gebruik gemaakt van inlichtingen van de eigenaar van een onroerende zaak op de derde etage van het desbetreffende appartementencomplex dat beschikt over dezelfde oppervlakte. Bij de vaststelling van de waarde is acht geslagen op methoden van vergelijking met gebouwen met dezelfde eigenschappen en ouderdom in de omgeving en is gebruik gemaakt van inlichtingen van ervaren en betrouwbare makelaars dienaangaande, waaronder gegevens over verkopen in de laatste twee jaren. Op grond daarvan kan worden uitgegaan van een marktwaarde van 55.000 TL.

1.9.

Appellant heeft in beroep een tweede taxatierapport overgelegd, voorzien van foto’s van de binnenkant van de vertrekken van de woning. De marktwaarde is, mede gelet op de aangetroffen staat van onderhoud, daarbij getaxeerd op een waarde tussen 30.000 TL

en 35.000 TL.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het standpunt van het college met de aanvullende informatie van de door het IBF ingeschakelde taxateur voldoende is onderbouwd. Daarbij is aangetekend dat deze taxateur weliswaar niet op alle door de rechtbank geformuleerde vragen is ingegaan, maar dat voldoende duidelijk is hoe de taxateur tot zijn waardebepaling is gekomen en dat er geen grond is om die waardebepaling voor onjuist te houden.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aanvullende informatie voldoende onderbouwing oplevert voor een waardebepaling op een bedrag van

€ 26.190,-. Tevens is appellant van mening dat het door hem ingebrachte bewijs ten onrechte kennelijk als minder zwaarwegend wordt beoordeeld dan het door het college ingebrachte bewijs. De rechtbank heeft daarvoor evenmin een deugdelijke motivering gegeven.

3.2.

Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat van de uitkomst van de IBF-taxatie mag worden uitgegaan.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 7 januari 2010 (datum melding) tot en met

9 april 2010 (datum van het besluit op de aanvraag).

4.2.

De oppervlakte van een woning vormt bij de taxatie van de waarde daarvan een objectief en essentieel gegeven. Dat geldt te meer voor de situatie waarin, zoals in dit geval, sprake is van een taxatie van buitenaf. Vaststaat dat de IBF-taxateur bij zijn taxatie aanvankelijk is uitgegaan van een onjuiste oppervlakte van de woning. De IBF-taxateur heeft meegedeeld dat dit de uitkomst van de taxatie niet beïnvloedt aangezien hij gebruik heeft gemaakt van inlichtingen van de eigenaar van een vergelijkbaar appartement op de derde etage. Appellant heeft daartegenover niet ten onrechte gesteld dat daarover weinig concrete gegevens zijn verstrekt en dat ook niet is gebleken dat de taxateur een woning op de derde etage van binnen heeft bekeken, waardoor bovendien niet vaststaat dat het daarbij eveneens om een klein appartement ging. Naar het oordeel van de Raad levert de nadere informatie van de

IBF-taxateur onvoldoende onderbouwing op voor het standpunt dat, ook indien wordt uitgegaan van de juiste oppervlakte van de woning, geen sprake is van een lagere waarde van de woning. Bij het voorgaande moet worden bedacht dat het in dit geval niet gaat om een punt van ondergeschikte betekenis. Er was immers sprake van een aanzienlijk geringere oppervlakte van de woning dan aanvankelijk bij de taxatie was aangenomen.

4.3.

Wat in 4.2 is overwogen hoeft op zichzelf nog niet te betekenen dat de waarde waarvan de IBF-taxateur bij nadere beschouwing uitgaat niet juist kan zijn. Voor die waarde kan anderszins een onderbouwing worden gegeven. De door de rechtbank geformuleerde vragen maakten dat ook mogelijk. Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat de taxateur niet op alle in het proces-verbaal van de zitting van 26 januari 2012 gestelde vragen is ingegaan. De rechtbank heeft daaraan ten onrechte geen consequenties verbonden voor de uitkomst van het beroep. In de beantwoording van de gestelde vragen heeft de taxateur, anders dan was gevraagd, immers geen concrete gegevens vermeld betreffende appartementen waarmee de woning van appellant is vergeleken of over verkoop van vergelijkbare woningen in de omgeving van de woning van appellant en de daarbij gerealiseerde prijzen. De beantwoording van de hierop betrekking hebbende vragen is in wezen geschied in algemene bewoordingen, ook wat betreft de weergave van de contacten met andere makelaars en de daarbij verkregen inlichtingen alsmede wat betreft de gehanteerde methodiek. Daarbij zijn geen concrete voorbeelden genoemd die relevant zijn voor de taxatie van de hier in geding zijnde woning.

4.4.

De hiervoor gesignaleerde gebreken in de advisering aan het college leiden tot de conclusie dat de rechtbank het college ten onrechte heeft gevolgd in zijn standpunt dat het rapport van de IBF-taxateur mocht worden gevolgd.

4.5.

Voorts heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak in het geheel geen aandacht geschonken aan de vraag welke betekenis moet worden gehecht aan het door appellant ingebrachte bewijs in de vorm van twee taxatierapporten. Mede in aanmerking genomen dat het geschil in beroep nu juist ging om de waarde van de woning, is de enkele overweging van de rechtbank dat zij geen grond ziet om de getaxeerde waarde van € 26.190,- voor onjuist te houden, onvoldoende. De rechtbank had daarbij ten minste dienen te motiveren waarom aan de door appellant overgelegde rapporten niet de betekenis kon worden toegekend die appellant daaraan gehecht wilde zien.

4.6.

Appellant stelt zich op het standpunt dat de waarde van de woning ongeveer € 15.000,- bedraagt. Hij heeft daartoe gewezen op de belastingwaarde en op de hiervoor bedoelde twee rapporten.

4.6.1.

Aan de belastingwaarde kan niet zonder meer betekenis worden gehecht voor de beantwoording van de vraag wat de waarde van een onroerend goed in het economisch verkeer is. Daarbij speelt mede een rol dat de belastingwaarde wordt vastgesteld op aangifte van de eigenaar zelf. In dit geval komt de belastingwaarde echter overeen met de waarde die is genoemd in de door appellant ingebrachte rapporten. Dat, zoals het college heeft aangevoerd, beide taxaties op verzoek van appellant zijn uitgevoerd en anders dat de

IBF-taxatie niet onafhankelijk zijn, is onvoldoende om aan die taxaties voorbij te zien. In het rapport van 28 september 2010 is, zij het summier, aangegeven welke factoren de waarde van de woning positief dan wel negatief beïnvloeden. Uit het rapport van 25 februari 2012 blijkt daarnaast dat de daarin genoemde waarde is bepaald na bezichtiging (binnen) van de woning. Het rapport maakt melding van een negatieve invloed van de aangetroffen onderhoudstoestand op de waarde van de woning, zoals blijkend uit overgelegde foto’s van het interieur. Tegenover deze rapporten heeft het college geen andere gegevens gesteld dan die welke door de IBF-taxateur zijn aangeleverd. Deze gegevens zijn, zoals blijkt uit 4.2 tot en met 4.4, voor deze zaak als ontoereikend aangemerkt.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning, bezien in samenhang met de overige door het college vastgestelde positieve en negatieve vermogensbestanddelen van appellant ten tijde van de aanvraag om bijstand, aan verlening van bijstand in de weg stond.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Hierna zal worden bezien welk vervolg aan dit oordeel moet worden verbonden.

4.9.

De rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit kunnen niet in stand worden gelaten. Toepassing van de bestuurlijke lus is in dit geval evenmin aangewezen. Het college zal nader onderzoek moeten doen naar het recht op bijstand van appellant vanaf 7 januari 2010. Daarbij wordt opgemerkt dat, zoals ter zitting is gebleken, de onderzoeksperiode niet verder loopt dan tot 12 april 2010, aangezien appellant per die datum inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Hij heeft na die datum geen verzoek meer om (aanvullende) bijstand gedaan.

4.9.

Het college zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren tegen de besluiten van 9 en 12 april 2010 met inachtneming van deze uitspraak. Bij de bepaling van de hoogte van de te verlenen bijstand kan het college de (eventuele) inkomsten van appellant uit (vroegere) arbeid en de huurinkomsten uit de woning, ontvangen in de periode van

7 januari 2010 tot 12 april 2010, betrekken. Bij het nemen van het nieuwe besluit zal het college tevens dienen te beslissen op het verzoek van appellant om vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand.

5.

De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.217,50 in beroep (op basis van 1 punt voor het beroepschrift

en 1,5 punt voor de zitting en de nadere zitting) en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 oktober 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

- draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op de bezwaren tegen de besluiten van

9 april 2010 en 12 april 2010, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.191,50;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) P. Uijtdewillegen

HD