Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3037

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
18-09-2014
Zaaknummer
13-4246 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Appellanten zijn gehuwd. Appellante heeft bij het college geen mededeling gemaakt van de omstandigheid dat zij niet duurzaam gescheiden van appellant leefde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4246 WWB, 13/4247 WWB

Datum uitspraak: 16 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 juli 2013, 13/1620 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante), en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. N.J.C. Spapen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Spapen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Bransen en N. Glasbergen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten zijn met elkaar gehuwd sinds 5 augustus 1983. Appellante ontving sinds

17 januari 1988 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De bijstand was sinds 1 maart 2005 vastgesteld naar de norm voor een alleenstaande ouder op de grond dat appellante in de gemeentelijke basisadministratie van persoonsgegevens (gba) van de gemeente [gemeente] op het adres[adres] (uitkeringsadres) zonder appellant stond ingeschreven.

1.2.

Naar aanleiding van de constatering dat appellante nog steeds gehuwd was en dat de woning waar appellant in de gba van [gemeente] stond ingeschreven werd bewoond door een ander dan appellant, bezien in samenhang met het feit dat appellant meerdere keren werd gezien op het uitkeringsadres is bij het college het vermoeden gerezen dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres. Op grond daarvan heeft het college onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat verband is informatie opgevraagd bij de Dienst wegverkeer en de gba en is dossieronderzoek verricht. Voorts zijn appellanten beiden op 23 mei 2012 verhoord door twee sociaal rechercheurs. Deze hebben aansluitend een huisbezoek afgelegd in de woning van appellante, zijnde een woonwagen, gestationeerd op een klein woonwagenkamp. Tevens hebben zij een huisbezoek afgelegd in de woonwagen van de oudste dochter van appellanten, [naam], gestationeerd op hetzelfde woonwagenkamp. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 juli 2012.

1.3.

De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
3 juli 2012 de bijstand van appellante met ingang van 9 augustus 2007 in te trekken en de over de periode van 9 augustus 2007 tot 1 mei 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 74.789,12 van haar terug te vorderen. Tevens heeft het college daarbij een bedrag € 71,- van appellante teruggevorderd, als ten onrechte niet op de bijstand in mindering gebrachte inkomsten. Bij hetzelfde besluit heeft het college het totale bedrag van
€ 74.860,12 (€ 74.789,12, verrekend met € 71,-) mede teruggevorderd van appellant. Aan de besluitvorming - voor zover hier van belang - heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren en dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting het college hierover niet heeft geïnformeerd.

1.4.

Bij besluit van 19 juli 2012 heeft het college het besluit van 3 juli 2012 herzien, in die zin dat de bijstand wordt ingetrokken met ingang van 23 mei 2008 en het teruggevorderde en mede - teruggevorderde bedrag in verband daarmee een beperktere periode betreft en wordt verlaagd tot in totaal € 63.035,35. Voor het overige heeft het college het besluit van 19 juli 2012 gehandhaafd.

1.5.

Bij besluit van 6 februari 2013 heeft het college, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 3 juli 2012 en het besluit van 19 juli 2012 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten niet duurzaam gescheiden van elkaar leven en dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting het college hierover niet heeft geïnformeerd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij bestrijden - kort samengevat - dat zij ten tijde hier van belang niet duurzaam gescheiden van elkaar leefden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij het bestreden besluit heeft het college de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In aanmerking genomen dat de bijstand is ingetrokken met ingang van 23 mei 2008, ligt daarom ter beoordeling voor de periode van 23 mei 2008 tot en met 19 juli 2012.

4.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.3.

Anders dan appellanten hebben aangevoerd heeft het college toereikend gemotiveerd waarom de eigen waardering van de onderzoeksbevindingen in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie tot de conclusie heeft geleid dat appellante in de beoordelingsperiode niet kon worden aangemerkt als een gehuwde die duurzaam gescheiden van haar echtgenoot leeft, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB.

4.4.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen bieden de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag voor die conclusie van het college.

4.5.Voor dit oordeel komt zwaarwegende betekenis toe aan de verklaringen die appellanten op 23 mei 2012 tegenover de twee sociaal rechercheurs hebben afgelegd. Appellant heeft verklaard dat hij sinds vier of vijf jaar altijd ’s avonds en overdag bij appellante is, daar tussen de middag en ’s avonds eet en bij zijn dochter [naam] slaapt. Hij heeft vermeld dat de relatie met appellante voorbij is, maar dat hij heel veel bij haar is en alles voor haar doet en voor haar zorgt omdat zij een longziekte heeft. Appellante heeft verklaard dat appellant de laatste vier tot vijf jaar dagelijks bij haar in de woonwagen is en daar ook eet, ook ‘s ochtends. Hij doucht bij haar en gaat ’s ochtends vanuit haar woonwagen naar zijn werk. Hij slaapt een of twee keer per week bij haar in de woonwagen. In haar woonwagen ligt kleding van onder andere appellant en ook zijn bankgegevens en verzekeringspapieren en dergelijke liggen in haar woonwagen.

4.5.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat de processen-verbaal van de door hen afgelegde verklaringen niet aan de besluitvorming ten grondslag hadden mogen worden gelegd. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat zij daaraan niet kunnen worden gehouden, omdat hun verklaringen niet juist zijn weergegeven en zij dit niet aanstonds hebben bemerkt doordat zij analfabeet zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.2.

In het algemeen mag van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door de betrokkene ondertekende verklaring worden uitgegaan en kan aan een latere wijziging van die verklaring geen doorslaggevende betekenis worden gehecht, tenzij sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.

4.5.3.

Met wat appellanten hebben aangevoerd, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke omstandigheden zich voordoen. De processen-verbaal van de verhoren van appellanten zijn door de sociaal rechercheurs op ambtsbelofte en ambtseed opgemaakt, de vragen en antwoorden zijn duidelijk te onderscheiden, de verklaringen zijn aan appellant voorgelezen en door appellante deels doorgelezen en deels voorgelezen en zij hebben deze vervolgens, na in hun verklaringen te hebben volhard, zonder voorbehoud per bladzijde ondertekend. De enkele stelling van appellanten -wat daarvan ook zij - dat zij analfabeet zijn leidt in het licht van het voorgaande niet tot het oordeel dat zij niet aan de door hen met een handtekening bevestigde verklaring kunnen worden gehouden. Voorts is van betekenis dat appellanten in hun in grote lijnen met elkaar overeenkomende verklaringen gedetailleerde informatie hebben verstrekt over hun woon- en leefsituatie en over hun onderlinge relatie. Appellanten hebben voorts niet kenbaar gemaakt op welke concrete punten de processen-verbaal niet juist zijn en waarom. Evenmin hebben zij objectieve en verifieerbare gegevens in het geding gebracht waaruit moet worden afgeleid dat wat zij hebben verklaard niet juist kan zijn. Dit ligt slechts anders ten aanzien van de verklaring van appellant dat hij ‘alle dagen en bijna 24 uur per dag’ in de woonwagen van appellante is. Gelet op het feit dat hij in de onderhavige periode dagelijks naar zijn werk ging is dit klaarblijkelijk niet letterlijk bedoeld en door het college ook niet zo opgevat.

4.6.

Bij het huisbezoek is kleding van appellant in de woonwagen van appellante aangetroffen. Daar heeft appellant de kamer van de jongste dochter aangewezen met de vermelding dat hij daar slaapt als hij bij appellante blijft overnachten. Bij het bezoek van de sociaal rechercheurs aan de woonwagen van de oudste dochter heeft appellant laten blijken dat hij niet wist waar in haar woonwagen zijn kleding lag. Op grond hiervan, bezien in samenhang met de door appellante afgelegde verklaringen, is aannemelijk dat appellant niet alleen dagelijks bij appellante verbleef, douchte en at, maar tevens daar een of twee keer per week overnachtte.

4.7.

Appellanten hebben erkend dat op grond van de door hen afgelegde verklaringen, bezien in samenhang met de overige onderzoeksbevindingen, kan worden vastgesteld dat zij in de beoordelingsperiode niet duurzaam gescheiden van elkaar leefden.

4.8.

Appellante heeft bij het college geen mededeling gemaakt van de omstandigheid dat zij in de beoordelingsperiode niet duurzaam gescheiden van appellant leefde. Daarmee heeft zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan is aan haar over de periode van 23 mei 2008 tot 1 mei 2012 ten onrechte bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college was dan ook bevoegd het recht op bijstand van appellante over deze periode in te trekken met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.

4.9.

De omstandigheid dat het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 23 juli 2014 appellante van de ten laste gelegde valsheid in geschrift heeft vrijgesproken, doet volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5715) aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Met name is hier van belang dat de vraag of appellante met opzet de inlichtingenverplichting heeft geschonden voor de bevoegdheid van het college tot intrekking van de bijstand niet van betekenis is.

4.10.

Appellanten hebben noch tegen de wijze waarop het college gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking, noch tegen de terugvordering en de mede-terugvordering zelfstandige beroepsgronden gericht, zodat deze punten verder buiten bespreking kunnen worden gelaten.

4.11.

Wat hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en F. Hoogendijk en
C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) C. Moustaine

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over duurzaam gescheiden leven.

NK