Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3036

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
18-09-2014
Zaaknummer
13-316 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Geen volledig inzicht gegeven in de middelen waarvan appellant in de maanden voorafgaande aan zijn aanvraag heeft geleefd. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/316 WWB

Datum uitspraak: 16 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 november 2012, 12/2527 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.P.J. van der Putten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.G.J. van Kerkhof, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.W. de Bruijn.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft laatstelijk met ingang van 7 april 2009 bijstand ontvangen ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluiten van 27 mei 2011 en 29 juni 2011 is de bijstand met ingang van 2 februari 2010 ingetrokken. Die intrekking berustte erop dat appellant onvoldoende inlichtingen had verstrekt over de omstandigheden dat hij samen met mevrouw[H.] (H) een huurcontract op zijn naam had staan, dat hij een woning huurde voor € 1.100,- per maand op een ander adres dan het uitkeringsadres en dat de huur voor die woning werd betaald via een bankrekening op naam van appellant die bij het college onbekend was. Tegen die besluiten heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend. Appellant heeft op 22 augustus 2011 een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend.

1.2.

Bij besluit van 20 oktober 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 april 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat hij geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie in de periode voorafgaande aan zijn aanvraag van 22 augustus 2011, zodat niet kan worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

2.

Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor zoals bedoeld in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft echter ook bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Daartoe is overwogen dat het college op goede gronden tot de conclusie was gekomen dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verschaft over de wijze waarop hij in de periode voor de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien als gevolg waarvan niet is vast te stellen of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

3.

Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gebleven.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. In het geval van appellant heeft het college van die bevoegdheid gebruik gemaakt.

4.2.

De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot de conclusie gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt waar hij van heeft geleefd in de maanden voorafgaand aan zijn bijstandsaanvraag van

22 augustus 2011.

4.3.

Appellant heeft hiertegen aangevoerd dat hij aan de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft voldaan. Hij heeft gesteld dat het bedrag van € 2.500,- dat appellant van H heeft ontvangen en waarover hij eerder heeft verklaard dat dit een lening betrof, veeleer als een gift moet worden beschouwd nu appellant en H inmiddels een relatie met elkaar hebben. Appellant heeft dit bedrag van € 2.500,- besteed aan het aflossen van zijn huurschuld van € 1.817,13 en het voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud. Wat dit laatste betreft heeft appellant op 13 juli 2011 en op 19 augustus 2011 daartoe bedragen op zijn rekening gestort van respectievelijk € 400,- en € 250,-. Als bewijs hiervoor heeft appellant gewezen op de door hem eerder overgelegde verklaring van 30 augustus 2011 van H en op de in hoger beroep overgelegde verklaringen van 27 april 2012 van de dochter en schoonzoon van H en van 5 april 2013 van [X.] en [Y.]. Voorts heeft appellant gesteld dat hij meerdere malen heeft mogen eten en drinken bij de kinderen van H. Waar en wanneer dit precies is geweest heeft appellant niet bijgehouden.

4.4.

Appellant heeft, ook indien de door hem overgelegde verklaringen in acht worden genomen, onvoldoende duidelijk gemaakt op welke wijze hij in de maanden voorafgaande aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. De overgelegde verklaringen van derden zijn betrekkelijk summier en niet concreet en vinden geen ondersteuning in objectieve verifieerbare bewijsstukken, zoals bankafschriften of kwitanties. Voor zover al kan worden aangenomen dat appellant de onder 4.3 genoemde bedragen van € 400,- en € 250,- daadwerkelijk heeft aangewend om te voorzien in de kosten van levensonderhoud, dan zijn die bedragen daarvoor niet toereikend. Onduidelijk is dan ook hoe hij de totale kosten heeft gefinancierd. In dit verband is mede van betekenis dat uit de beschikbare gegevens naar voren komt dat appellant in maanden waarin hij geen bijstandsuitkering ontving voor diverse (mede) door hem gehuurde panden in verschillende gemeenten betrekkelijk hoge bedragen aan huur en waarborgsommen verschuldigd was, dat die bedragen veelal door anderen zijn betaald en dat appellant tevens betrokken is geweest bij de exploitatie van hennepkwekerijen in twee van die panden. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat hij zijn maaltijden ook wel bij derden heeft gebruikt, heeft hij niet aangegeven hoe vaak en wanneer dit het geval was, zodat deze enkele stelling niet tot de vereiste duidelijkheid leidt.

4.5.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat appellant ook in hoger beroep geen volledig inzicht heeft gegeven in de middelen waarvan hij in de maanden voorafgaande aan zijn aanvraag van 22 augustus 2011 heeft geleefd. Dit betekent dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting onvoldoende is nagekomen en dat als gevolg hiervan niet kan worden vastgesteld of appellant recht had op bijstand.

4.6.

Gelet op 4.4 en 4.5 moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd worden.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) C. Moustaine

RB