Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
18-09-2014
Zaaknummer
12-6457 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Appellant is niet verschenen op de afspraken en heeft de gevraagde stukken niet overgelegd, waardoor het recht op bijstand over een aantal maanden niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6457 WWB

Datum uitspraak: 16 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 oktober 2012, 12/441 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Veendam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2014. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.P. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden .

1.1.

Appellant ontving vanaf 23 juni 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Uit een door het college verricht onderzoek naar aanleiding van een aanvraag van appellant om een langdurigheidstoeslag is gebleken dat appellant inkomsten uit werkzaamheden ontving, die hij niet aan het college had opgegeven. Vervolgens heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is appellant bij brief van 9 mei 2011 uitgenodigd te verschijnen voor een gesprek met een consulent inkomen op 16 mei 2011, waarbij hij een aantal met name genoemde stukken diende in te leveren. Op deze afspraak is appellant niet verschenen waarna het college hem bij brief van 17 mei 2011 wederom heeft uitgenodigd om op 24 mei 2011 te verschijnen voor een gesprek met eerder bedoelde consulent inkomen, onder medeneming van de in de brief van 9 mei 2011 genoemde bewijsstukken. Op deze afspraak is appellant evenmin verschenen.

1.2.

Vervolgens heeft het college bij besluit van 24 mei 2011 de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2010 ingetrokken op de grond dat appellant niet is verschenen op de afspraken en de gevraagde stukken niet heeft overgelegd, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.3.

Bij besluit van 16 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 mei 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij, naar zijn zeggen, alsnog de gevraagde stukken overgelegd, aan de hand waarvan het college het recht op bijstand alsnog kan vaststellen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De door de bestuursrechter te beoordelen periode loopt van 1 december 2010 tot en met 24 mei 2011. Ter zitting heeft het college aangegeven dat appellant vanaf 26 mei 2011 tot 31 augustus 2012 weer bijstand heeft ontvangen.

4.2.

Het college heeft in verweer aangegeven dat het recht op bijstand aan de hand van de in hoger beroep door appellant overgelegde stukken nog steeds niet kan worden vastgesteld, omdat niet alle inkomensspecificaties zijn overgelegd. Uit de door appellant overgelegde arbeidsovereenkomst blijkt dat appellant een arbeidsovereenkomst had gesloten met [naam bedrijf] te [V.], gedurende de periode van 1 november 2010 tot 31 oktober 2011. Ter zitting heeft het college desgevraagd aangegeven dat er geen belemmeringen zijn de bijstand over de maanden december 2010 en februari 2011, waarover wel loonspecificaties zijn overgelegd, te kunnen berekenen, maar dat de intrekking over de maanden waarin er geen salarisstroken zijn wordt gehandhaafd. De Raad begrijpt het standpunt van het college zo, dat de intrekking over de maanden december 2010 en februari 2011 niet wordt gehandhaafd. Dit betekent dat het bestreden besluit in zoverre niet kan worden gehandhaafd en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

4.3.

Wat betreft de overige maanden in de te beoordelen periode heeft het college zich terecht op standpunt gesteld dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting door appellant het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft tot in hoger beroep geen duidelijkheid verschaft over de inkomsten uit de arbeidsovereenkomst gedurende de overige maanden van de te beoordelen periode.

4.4.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover het ziet op de intrekking van de bijstand over de maanden december 2010 en februari 2011. Het college zal aan de hand van de overgelegde inkomensspecificaties de bijstand over genoemde maanden alsnog moeten vaststellen. De Raad heeft onvoldoende financiële gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Nu het nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen discussie zal opleveren, wordt afgezien van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot - volledige - definitieve geschillenbeslechting. De Raad zal het college op dit punt een opdracht geven om een nieuw besluit te nemen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding nu appellant eerst in hoger beroep de door het college gevraagde gegevens heeft overgelegd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 maart 2012 gegrond en vernietigt dat besluit

voor over het ziet op de intrekking van de bijstand over de maanden december 2010 en

februari 2011;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op

bezwaar te nemen met betrekking tot de bijstand over de maanden december 2010 en

februari 2011;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,-

vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

HD