Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
18-09-2014
Zaaknummer
12-3773 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een bedrijfskrediet. Bedrijf niet levensvatbaar. Appellant heeft geen deskundig tegenadvies overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3773 BBZ

Datum uitspraak: 16 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

23 mei 2012, 11/8203 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude, rechtsopvolger van de ISD De Rijnstreek (college)

PROCESVERLOOP

In deze uitspraak wordt onder het college tevens verstaan het dagelijks bestuur van de ISD De Rijnstreek.

Namens appellant heeft W. Langhout, gemachtigde, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2014. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.C. Los.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant verricht sinds 1994 als zelfstandige activiteiten onder de handelsnaam [L.]. Deze activiteiten betreffen bouwwerkzaamheden en het verzorgen van licht en geluid bij evenementen.

1.2.

Appellant heeft op 7 september 2010, voor zover hier van belang, een aanvraag ingediend voor een bedrijfskrediet van € 26.000,- op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

1.3.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college FBA Adviesgroep (FBA) advies gevraagd over de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant. FBA heeft op

14 december 2010 advies uitgebracht. FBA komt daarin tot de conclusie dat appellant een negatief eigen vermogen heeft van € 97.500,- en dat sanering van de schulden van appellant een vereiste is om voor een krediet in aanmerking te komen. Daarvan uitgaande, bedraagt de daadwerkelijke kredietbehoefte volgens FBA € 43.300,- en niet € 26.000,-. De cashflow van het bedrijf van appellant is volgens FBA niet voldoende om een ondernemersinkomen te genereren, de herinvesteringen te realiseren en de aflossingsverplichtingen van de Bbz-lening te voldoen.

1.4.

Bij op 23 december 2010 verzonden besluit heeft het college, onder verwijzing naar het advies van FBA, de aanvraag van appellant afgewezen omdat het bedrijf niet levensvatbaar is. Appellant heeft een bezwaarschrift ingediend, waarop FBA bij brief van 28 april 2011 heeft gereageerd. FBA heeft op 1 juni 2011 een aanvullend advies uitgebracht. Het college heeft bij op 15 september 2011 verzonden besluit (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De aanvraag van appellant is afgewezen omdat zijn bedrijf niet levensvatbaar is. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag, in dit geval 23 december 2010. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip wordt geen rekening gehouden. Dat appellant in 2011 een hoger uurtarief is gaan hanteren en dat sprake was van meer omgezette uren dan begroot, zoals blijkt uit de door appellant overgelegde facturen, zijn dus omstandigheden die voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant niet van belang zijn. De Raad zal daaraan voorbijgaan.

4.2.

Een levensvatbaar bedrijf is volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

4.3.

Het college heeft de aanvraag afgewezen onder verwijzing naar de in 1.3 en 1.4 genoemde adviezen van FBA. Een bijstandverlenend orgaan is in zaken als hier aan de orde gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op concrete adviezen van deskundige instanties als FBA, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van dat advies of aan de inhoud daarvan.

4.4.

Appellant voert aan dat grond bestaat voor twijfel aan de inhoud van de adviezen van FBA. Hij voert in verband daarmee in de eerste plaats aan dat - anders dan waarvan FBA uitgaat - zijn financieringsbehoefte niet € 43.300,-, maar € 26.000,- bedroeg. Hij zou aan een krediet van € 26.000,- voldoende hebben gehad om een inkomen te verwerven dat toereikend is voor de voortzetting van zijn bedrijf en de voorziening van het bestaan. Appellant onderbouwt echter niet waarom het advies van FBA op dit punt niet juist is. Louter eigen verwachtingen van de betrokkene omtrent de te behalen omzet en daarmee de levensvatbaarheid van het bedrijf vormen onvoldoende basis voor het toekennen van de gevraagde bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. In zoverre is er geen reden te twijfelen aan de juistheid van het advies van FBA, zodat het college ervan kon uitgaan dat de kredietbehoefte van appellant € 43.300,- bedroeg.

4.5.

Appellant voert voorts aan dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf, ook indien moet worden uitgegaan van een kredietbehoefte van € 43.300,-. Het college mocht niet afgaan op de adviezen van FBA, omdat FBA geen rekening heeft gehouden met het feit dat na bijstandsverlening een deel van het krediet zou zijn omgezet in bijstand om niet en omdat de privé-uitgaven van appellant te hoog zijn vastgesteld.

4.6.

Wat de privé-uitgaven betreft, voert appellant aan dat deze moeten worden gesteld op

€ 19.300,-, dan wel € 20.000,- en niet op de door FBA over de jaren 2009 en 2010 aangehouden € 24.000,-. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat het advies van FBA op dit punt niet juist is. Uit de door appellant overgelegde jaarrekeningen blijkt dat de privé-opnamen in 2008 en 2009 respectievelijk € 14.155,- en € 18.019,- bedroegen. In zowel 2008 als in 2009 heeft appellant bovendien een achterstand opgebouwd bij de aflossing van zijn hypotheek van € 6.000,- + € 4.200,- = € 10.200,-. Als die achterstand wordt meegenomen, dan kunnen de noodzakelijke privé-uitgaven van appellant over 2008 en 2009 worden vastgesteld op € 24.300,-, respectievelijk € 26.400,-. FBA kon gelet daarop de

privé-uitgaven van appellant begroten op € 24.000,-. Appellant heeft daar onvoldoende tegen ingebracht. Hij wijst weliswaar op het feit dat hij in 2010 minder privé-opnamen heeft gedaan dan over de daaraan voorafgaande jaren, maar over dat jaar waren slechts de uitgaven tot 1 september 2010 bekend, terwijl FBA er voorts terecht op wijst dat de privé-opnamen in 2010 door de zeer slechte resultaten van het bedrijf niet representatief zijn voor de door appellant benodigde privé-uitgaven. Appellant heeft niet onderbouwd dat en waarom te verwachten was dat zijn privé-uitgaven naar de toekomst toe een ander beeld zouden laten zien dan over de jaren 2008 en 2009. Hij heeft in dit verband ter zitting van de Raad weliswaar aangevoerd dat de privé-opnamen zoals die op de jaarrekening zijn verantwoord deels bedrijfskosten betreffen en de jaaropgaven in zoverre een onjuist beeld geven, maar hij heeft dit niet onderbouwd. In dit verband is tevens van belang dat de accountant van appellant in een brief van 27 februari 2012 schrijft dat de privé-opnamen over onder andere 2009 representatief zijn voor de werkelijke situatie van appellant. Daaruit blijkt niet dat in de jaarrekening bedrijfskosten zijn meegenomen onder de post privé-opnamen. Uit het voorgaande volgt dat hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de door FBA berekende privé-uitgaven, niet slaagt.

4.7.

De beroepsgrond dat FBA geen rekening heeft gehouden met het feit dat na bijstandsverlening een deel van het krediet zou zijn omgezet in bijstand om niet, slaagt evenmin. FBA heeft in de onder 1.4 genoemde brief van 28 april 2011 uiteengezet dat het bedrijf van appellant ook niet levensvatbaar is als wordt uitgegaan van een aflossingsverplichting die lager ligt, wanneer een deel van het krediet wordt omgezet in bijstand om niet.

4.8.

Anders dat appellant aanvoert, brengt het enkele feit dat FBA niet met de accountant van appellant heeft gesproken niet met zich dat het advies van FBA niet zorgvuldig tot stand is gekomen. FBA kon afgaan op de door appellant verstrekte gegevens, die voldoende inzicht bieden in de inkomsten en uitgaven van appellant.

4.9.

Appellant heeft tot slot geen objectieve gegevens - zoals een deskundig tegenadvies - overgelegd die zijn standpunt dat wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf ondersteunen. De stelling van appellant dat hij niet de middelen heeft voor het uitbrengen van een contra-expertise houdt geen stand. Op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de bestuursrechter de mogelijkheid een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, waaronder de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Dit artikel is gelet op artikel 8:108 van de Awb van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Het is aan appellant om met betrekking tot de vraag of hij een contra-expertise zal laten verrichten in dat licht een afweging te maken.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat de in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en Y.J. Klik en P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) S.K. Dekker

NK