Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
18-09-2014
Zaaknummer
11-6596 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Afwijzing aanvraag bijstand. Twee periodes. Periode A) Het college heeft bij het onderzoek naar het recht op bijstand appellant terecht om bankafschriften, gegevens over zijn feitelijke verblijfplaats, en bewijsstukken hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien, gevraagd. Periode B) Niet staande kan worden gehouden dat appellant onvoldoende opgave heeft gedaan van de wijze waarop hij zijn leven heeft ingericht en hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Schending inlichtingenverplichting. Geen schending van artikel 3 en 8 EVRM. Wettelijke rente. 2) Intrekking bijstand. Gezien omstandigheden en de voorgeschiedenis is de enkele omstandigheid dat appellant meer dan een keer in Amsterdam Zuidoost heeft overnacht, overigens zonder aan te geven hoeveel keer dat is geweest, in plaats van ergens op straat, onvoldoende voor de conclusie dat het recht op bijstand niet langer is vast te stellen. Onvoldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/255

Uitspraak

11/6596 WWB, 13/2713 WWB, 13/4854 WWB, 13/4855 WWB

Datum uitspraak: 9 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2011, 11/3042 (aangevallen uitspraak 1) en op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2013, 13/3459, 13/3460 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het college heeft een nieuwe beslissing op bezwaar van 17 mei 2013 ingezonden, waarop appellant heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Cerezo-Weijsenfeld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A.Veenendaal.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1951 in Suriname, stond in de periode van

2 september 1974 tot 5 december 1979 ingeschreven in diverse bevolkingsregisters in Nederland. Op 5 december 1979 is appellant met onbekende bestemming vertrokken. Vanaf 24 mei 1983 is appellant opgenomen in de Surinaamse bevolkingsadministratie. De verzoeken van appellant tot vaststelling dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit zijn door de rechtbank bij beschikkingen van 13 januari 1999 en 6 maart 2008 afgewezen.

1.2.

Op 21 december 2009 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 3 februari 2010, gehandhaafd bij besluit van 22 februari 2010, heeft het college die aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning. Op 5 oktober 2010 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 februari 2010 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 29 juni 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1060) deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.3.

Op 14 februari 2011 heeft appellant wederom een aanvraag om bijstand gedaan. Nadat de aanvraag blijkens het rapport van 23 februari 2011 inhoudelijk was beoordeeld, heeft het college bij besluit van 3 maart 2011 de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet over een verblijfstitel beschikt op grond waarvan recht op bijstand bestaat. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2011 bij besluit van 12 mei 2011 (bestreden

besluit 1) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak 1 gekeerd.

4.1.

Onder overlegging van de beschikking van de rechtbank van 7 maart 2013, inhoudende dat appellant sinds zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit, heeft appellant op

17 maart 2013 opnieuw bijstand aangevraagd. Bij besluit van 18 maart 2013 heeft het college appellant bijstand toegekend met als ingangsdatum 9 september 2012.

4.2.

Het college heeft in de beschikking van de rechtbank van 7 maart 2013 verder aanleiding gezien, hangende het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1, het bestreden besluit 1 te heroverwegen. In dit kader heeft het college appellant bij brief van 15 april 2013 uitgenodigd voor een hoorzitting op 9 mei 2013 en appellant verzocht voor de beoordeling van het recht op bijstand kenbaar te maken waar hij in de periode van 14 februari 2011 tot en met

8 september 2012 heeft gebleven, en aan te tonen, ondersteund met bewijsstukken, hoe hij heeft voorzien in de kosten van levensonderhoud. Wanneer sprake is geweest van leningen dient hij hiervan bewijsstukken (aktes en bewijzen van betalingen) in te leveren. Appellant heeft naar aanleiding hiervan te kennen gegeven dat hij niet over stukken beschikt, waaruit blijkt hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Hij heeft ook niet van een bepaalde persoon hulp gehad, hij leefde op straat en heeft ook enige tijd in de koude-opvang van de gemeente Amsterdam verbleven. Zijn eten haalde hij uit vuilnisbakken. Uit de vele procedures die hij heeft gevoerd blijkt wel dat hij sinds december 2009 niet over middelen van bestaan heeft beschikt.

4.3.

Bij besluit van 17 mei 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college vervolgens het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2011 opnieuw ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant ten aanzien van de periode van 14 februari 2011 tot en met 3 maart 2011 onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt om het recht op bijstand vast te stellen. Appellant heeft volgens het college niet voldoende aannemelijk gemaakt waar hij in die periode heeft verbleven. Ten aanzien van de periode 22 december 2009 tot en met 3 februari 2010 heeft het college het standpunt ingenomen dat de omstandigheid dat appellant vanaf zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit weliswaar een nieuw feit is in de zin van

artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar dat appellant niet op objectieve wijze heeft aangetoond hoe hij in die periode in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien en waar hij heeft verbleven. Voor de periode van 3 februari 2010 tot de aanvraag op 14 februari 2011 heeft het college het standpunt ingenomen dat de omstandigheid dat appellant voortdurend procedeerde omtrent zijn verblijfsstatus en zijn aanspraken op bijstand, een bijzondere omstandigheid is in de zin van artikel 44 van de WWB. Het college verleent over deze periode echter geen bijstand omdat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verschaft over hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien en waar hij feitelijk heeft verbleven.

4.4.

Het college heeft appellant opgeroepen om op 8 mei 2013 op het kantoor van de Dienst werk en inkomen (DWI), bijzondere doelgroepen, te verschijnen onder medeneming van onder meer een geldig paspoort of identiteitskaart, de in te vullen 28 dagenformulieren, een inschrijving van woningnet en alle bankafschriften vanaf 1 juni 2012. Uit het op 8 mei 2013 opgemaakte rapport blijkt dat appellant geen paspoort of identiteitsbewijs heeft overgelegd. Op de 28 dagenformulieren heeft appellant ingevuld van 18 maart 2013 tot en met 23 maart 2013 bij [X.] ([X.]) op [het adres 1] in Amsterdam Zuidoost te hebben geslapen, van 11 april 2013 tot en met 7 mei 2013 op straat, en verder in een passantenhotel te hebben overnacht.

4.5.

Het college heeft bij besluit van 8 mei 2013 de bijstand van appellant met ingang van

24 april 2013 ingetrokken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie omdat de verklaringen van appellant en van [X.] niet helemaal overeenkomen. Verder heeft appellant geen legitimatiebewijs of een inschrijving van Woningnet overgelegd, waardoor hij de opheffing van zijn dak- en thuisloosheid belemmert. Bij besluit van 18 juni 2013 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 mei 2013 onder vergoeding van de proceskosten (lees: bezwaarkosten) deels gegrond verklaard en de intrekkingsdatum gewijzigd in 8 mei 2013.

4.6.

Appellant ontvangt vanaf 3 juni 2013 weer bijstand van het college. Hij beschikt sinds

16 juli 2013 over een Nederlands paspoort.

5.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 2, voor zover nog van belang, het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

6.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak 2 gekeerd.

7.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

de aangevallen uitspraak 1

7.1.

De Raad zal het besluit van 17 mei 2013 gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede in de beoordeling betrekken.

7.2.

De stelling van appellant dat het besluit van 17 mei 2013 onrechtmatig is, omdat het college ten onrechte heeft geweigerd de kosten van bezwaar te vergoeden, treft geen doel. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het besluit van 3 maart 2011 niet is herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid maar opnieuw ongegrond verklaard. Als gevolg van de omstandigheid dat de rechtbank bij de beschikking van 7 maart 2013 heeft geoordeeld dat appellant sinds zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit, heeft het college het besluit van 3 maart 2011 heroverwogen, maar niet herroepen.

7.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij aanspraak heeft op bijstand vanaf 22 december 2009. De gevolgen van de fouten die door diverse bestuursorganen zijn gemaakt zijn ten onrechte voor risico van appellant gekomen. Hij was dakloos, kon niet voldoende eten en heeft onder het bestaansminimum geleefd. De voorwaarden waaronder bijstand met terugwerkende kracht kan worden verleend zijn zo strikt, dat zij afbreuk doen aan het karakter van de WWB, namelijk het waarborgen van een inkomen op minimumniveau.

7.4.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of appellant gedurende de periode van 21 december 2009 tot en met 3 maart 2011 recht had op algemene bijstand. Hierbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant Nederlander is en dat ook verder geen formele uitsluitingsgronden aan bijstandsverlening in de weg staan. Voor de vaststelling van de hoogte van de bijstand heeft het college deels aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8031) met betrekking tot bijstandsverlening over een periode die voorafgaat aan de aanvraag van een vreemdeling aan wie met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning is verleend.

7.5.

Het gaat in dit geding om besluiten tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

periode 21 december 2009 tot 14 februari 2011

7.5.1.

De vaststelling van bijstandbehoevendheid over een periode in het verleden kan echter zowel voor het bijstandverlenend orgaan als voor de aanvrager met moeilijkheden gepaard gaan. In die situatie is immers onmiskenbaar op enigerlei wijze voorzien in het levensonderhoud van de aanvrager en zullen de nodige daaruit voortvloeiende kosten zijn voldaan. Voor het bijstandverlenend orgaan zal het echter veelal onmogelijk zijn achteraf de toenmalige woon- en leefsituatie van de aanvrager te verifiëren en zal het voorts bezwaarlijker zijn om door hem verstrekte gegevens te controleren. De aanvrager zal vaak problemen ondervinden, omdat hij door tijdsverloop gegevens en bewijs niet of niet meer op inzichtelijke wijze kan leveren. Naar mate de te beoordelen periode langer wordt en verder in het verleden ligt, nemen deze problemen toe.

7.5.2.

Een bijzondere complicatie betreft de situatie van de aanvrager die in de achteraf te beoordelen periode wel rechtmatig verblijf heeft gehad of, zoals in het geval van appellant wel degelijk over de Nederlandse nationaliteit beschikte, maar destijds niet toegelaten was of zelfs in het geheel niet beschikte over rechtmatig verblijf. Deze aanvrager beschikte toen door zijn verblijfsstatus over veel minder mogelijkheden dan Nederlanders of met hen gelijk te stellen rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen om achteraf zijn bijstandbehoevendheid te onderbouwen. Hij had immers in de achteraf te beoordelen periode geen toegang tot reguliere arbeid en overheidsvoorzieningen en kon problemen ondervinden bij het verrichten en vastleggen van rechtshandelingen. Hij zal daardoor in die periode veelal aangewezen zijn geweest op informele wijzen van inrichting van en voorziening in het bestaan.

7.5.3.

Indien een aanvrager heeft verkeerd in de situatie als onder 7.5.1 en 7.5.2 bedoeld, mag van hem worden verlangd dat hij ter nakoming van zijn inlichtingenverplichting over de achteraf te beoordelen periode zo gedetailleerd en nauwkeurig mogelijk opgave doet van de wijze waarop hij zijn leven heeft ingericht en hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

7.5.4.

Indien de aanvrager niet volledig aan de wettelijke inlichtingenverplichting kan voldoen als gevolg van aan het bijstandverlenend orgaan toe te rekenen omstandigheden, bestaat aanleiding om het risico dat de omvang van het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld niet volledig voor zijn rekening te laten komen. Van de aanvrager mag in deze situatie nog steeds worden verlangd zoveel mogelijk de namen en adressen op te geven van degene(n) die hem hebben voorzien van onderdak en levensbehoeften en voorts dat hij daarvan zoveel mogelijk precieze data en bedragen opgeeft. Indien echter de aanvrager de gegevens vanwege het tijdsverloop niet (meer volledig) kan aanleveren, dient dat voor risico van het bijstandverlenend orgaan te komen. Dit betekent dat als door het bijstandverlenend orgaan is vastgesteld dat de aanvrager verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden, recht op bijstand bestaat behoudens voor zover daarin door anderen is voorzien.

7.5.5.

Een situatie als onder 7.5.4 bedoeld, doet zich hier voor, in zoverre dat als gevolg van de - achteraf gebleken onjuiste - afwijzingsgrond dat appellante niet rechtmatig in Nederland verbleef, het college destijds het recht op bijstand niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Het gevolg daarvan is dat het college nu alsnog gehouden is het recht op bijstand van appellante inhoudelijk te beoordelen en vast te stellen.

7.5.6.

In dit geval heeft het college bij het onderzoek naar het recht op bijstand appellant om gegevens gevraagd, zoals bankafschriften, gegevens over zijn feitelijke verblijfplaats, en bewijsstukken hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Appellant heeft geen gegevens overgelegd en slechts volstaan met de verklaring dat hij op straat leefde en dat hij sinds december 2009 niet heeft beschikt over middelen. Hieruit volgt dat appellant voor de periode van 21 december 2009 tot 14 februari 2011 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten heeft gemaakt voor zijn levensonderhoud en tot welke omvang.

7.6.

Uit 7.5.6. volgt dat het college de aanvraag om bijstand over de periode van 21 december 2009 tot 14 februari 2011 terecht alsnog heeft afgewezen.

periode 14 februari 2011 tot 3 maart 2011

7.7.

Voor de periode van 14 februari 2011 tot 3 maart 2011 komt de Raad tot een ander oordeel. Naar aanleiding van de aanvraag om bijstand van 14 februari 2011 heeft het college blijkens het rapport van 23 februari 2011 het recht op bijstand van appellant inhoudelijk beoordeeld. Appellant heeft verklaard naast wat kleding, een scheerapparaat en een mobiele telefoon geen bezittingen te hebben. Hij laat zijn post komen op [het adres 2], het adres van het kantoor van de [vereniging]. Hij staat daar ook ingeschreven, maar hij kan daar niet overnachten of spullen opbergen. Appellant heeft een naam en adres opgegeven van een persoon die hem heeft voorzien van onderdak en het tiendagenformulier ingevuld. De medewerker van de DWI heeft de lijsten met de nachtopvang ingezien en geconstateerd dat die overeenkomen met de data op het tiendagenformulier. Verder heeft appellant bankafschriften ingeleverd waarop te zien is dat het saldo nihil is. Hij heeft verklaard geen schulden te hebben, maar nog wel een niet betaalde rekening van de tandarts. Ook heeft appellant stukken ingeleverd waaruit blijkt dat hij van 1 januari 2011 tot en met 24 februari 2011 60 daklozenkranten heeft ingekocht voor € 1,10 per stuk, die heeft verkocht voor € 2,- per stuk, en dus € 54,- winst heeft gemaakt. Onder deze omstandigheden kan niet staande worden gehouden dat appellant onvoldoende opgave heeft gedaan van de wijze waarop hij zijn leven heeft ingericht en hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Ter zitting heeft het college ook erkend er niet aan te twijfelen dat appellant in deze periode in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd en dat het recht op bijstand, in ieder geval schattenderwijs, is vast te stellen.

7.8.

Uit 7.7 volgt dat het college ten onrechte bij het bestreden besluit 2 het standpunt heeft ingenomen dat over de periode 14 februari 2011 tot en met 3 maart 2011 het recht op bijstand niet (precies) is vast te stellen als gevolg van niet of niet volledig nakomen van de inlichtingenverplichting. Het college dient alsnog het recht op bijstand met ingang van 14 februari 2011 vast te stellen. Gewezen wordt op de uitspraak van de Raad van 27 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1901).

7.9.

Verder heeft appellant aangevoerd dat het college door de onrechtmatige besluitvorming het grondrecht op bestaanszekerheid dat jegens de overheid bestaat, heeft geschonden. Hierbij heeft hij aangevoerd dat hij dakloos was en zelf geen enkel inkomen had. Hierdoor is sprake geweest van leefomstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Appellant stelt zich op het standpunt dat de schending van artikel 3 van het EVRM dient te worden gecompenseerd door toekenning van een immateriële schadevergoeding. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat artikel 8 van het EVRM is geschonden, als gevolg waarvan hij recht heeft op een immateriële schadevergoeding.

7.9.1.

In artikel 3 van het EVRM is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Blijkens vaste rechtspraak van het EHRM (zie onder meer het arrest van 27 mei 2008 in de zaak N. tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 26565/05, ECHR 2008, 91) kan het handelen of nalaten van een overheidsorgaan waardoor een betrokkene verstoken raakt van de meest basale (medische) voorzieningen, in geval van uitzonderlijke omstandigheden worden aangemerkt als schending van artikel 3 van het EVRM. In het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland werd ten aanzien van Griekenland geoordeeld dat voor S., een asielzoeker, de opvang, de levensomstandigheden en de omstandigheden van detentie zo slecht waren dat sprake was van strijd met artikel 3 van het EVRM. De situatie van appellant is hiermee niet vergelijkbaar. Appellant is geen asielzoeker die in verband daarmee in detentie verbleef of opvang behoefde, maar iemand met een zwervend bestaan in Nederland. Appellant heeft verklaard dat hij in Amsterdam afwisselend werd opgevangen in de opvang, en soms bij vrienden of kennissen verbleef. Onder deze omstandigheden heeft het college niet gehandeld in strijd met artikel 3 van het EVRM.

7.9.2.

Appellant heeft betoogd dat het feit dat hij ten onrechte verstoken was van bijstand een ernstige, niet gerechtvaardigde inbreuk op zijn privéleven als omschreven in artikel 8 van het EVRM oplevert. Zonder de gevolgen daarvan voor appellant te miskennen, ziet de Raad hierin geen schending van artikel 8 van het EVRM. Zoals volgt uit de uitspraak van de Raad van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT7159, leidt de enkele omstandigheid dat de bijstand gedurende een langere periode niet tijdig is uitbetaald - in die zaak betrof het een periode van negen maanden - niet tot een schending van artikel 8 van het EVRM. Ook in de overige genoemde omstandigheden van appellant, afzonderlijk of in samenhang bezien, is geen schending van artikel 8 van het EVRM gelegen.

7.10.

Wat hiervoor onder 7.7 en 7.8 is overwogen heeft de rechtbank niet onderkend. De aangevallen uitspraak 1 komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het bestreden besluit 2 komt eveneens voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij de afwijzing van de aanvraag om bijstand van 14 februari 2011 is gehandhaafd.

7.11.

Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting zijn er onvoldoende gegevens beschikbaar om het geschil definitief te beslechten. Het college krijgt dan ook de opdracht om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2011 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

7.12.

Voorts bestaat aanleiding om de door appellant verzochte schadevergoeding toe te kennen in de vorm van wettelijke rente over de alsnog te betalen bijstand met ingang van

14 februari 2011. Voor de wijze waarop de wettelijke rente wordt berekend, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

de aangevallen uitspraak 2

8.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat in dit geval aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

8.1.

Het college heeft bij het bestreden besluit 3 de intrekking van de bijstand van appellant gehandhaafd op (alleen) de grond dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie.

8.2.

Voorop staat dat gegevens over de feitelijke woon- en verblijfplaats van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de vraag of iemand recht heeft op bijstand en dat ook van iemand die stelt dakloos te zijn kan worden gevergd dat hij informatie verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats, juist ook om vast te stellen dat hij dakloos is en niet een vast hoofdverblijf heeft.

8.3.

Appellant heeft vaker overnacht bij [X.] op [het adres 1] in Amsterdam Zuidoost dan hij op de 28 dagenformulieren heeft aangegeven. [X.] heeft, blijkens het rapport van 8 mei 2013 tegenover een medewerkster van de DWI verklaard dat appellant in de drie weken voorafgaand aan 8 mei 2013 meer dan een keer bij hem heeft overnacht, terwijl appellant op de 28 dagenformulieren had ingevuld die drie weken op straat te hebben geslapen. Appellant hoopte op die manier sneller geholpen te worden door de hulpverlening. Door onjuiste informatie te verstrekken over waar hij heeft overnacht heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. De Raad volgt het college echter niet in zijn standpunt dat als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld. Onder de gegeven omstandigheden en gelet op de voorgeschiedenis is de enkele omstandigheid dat appellant meer dan een keer in Amsterdam Zuidoost heeft overnacht, overigens zonder aan te geven hoeveel keer dat is geweest, in plaats van ergens op straat, onvoldoende voor de conclusie dat het recht op bijstand niet langer is vast te stellen.

8.4.

Uit 4.4 volgt dat het besluit tot intrekking van de bijstand per 8 mei 2013 op onvoldoende feitelijke grondslag berust, zodat de intrekking geen stand kan houden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak 2. zal daarom worden vernietigd voor zover betrekking hebbend op bestreden besluit 3. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 3 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen, behoudens de toekenning van de proceskosten. Aangezien het besluit van 8 mei 2013 op dezelfde ondeugdelijke grondslag berust en niet aannemelijk is dat het college dit gebrek nog kan herstellen, ziet de Raad aanleiding om dit besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 3.

8.5.

Voorts bestaat aanleiding om de door appellant verzochte schadevergoeding toe te kennen in de vorm van wettelijke rente over de alsnog te betalen bijstand over de periode van 8 mei 2013 tot 3 juni 2013. Voor de wijze waarop de wettelijke rente wordt berekend, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

Slot

9.

Aanleiding bestaat voor een veroordeling van het college in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.948,- in het geding 11/6596 WWB en 13/2713 WWB en

€ 1.704,50,- in het geding 13/4854 WWB eb 13/4855 WWB.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

in het geding 11/6596 WWB en 13/2713 WWB

- vernietigt aangevallen uitspraak 1

- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 mei 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 mei 2013 gegrond en vernietigt dat besluit voor

zover daarbij de afwijzing van de aanvraag om bijstand van 14 februari 2011 is

gehandhaafd;

- draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak in zoverre een

nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college tot vergoeding van de schade aan appellant zoals onder 7.12 van

deze uitspraak is vermeld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 153,-

vergoedt.

in het geding 13/4854 WWB en 13/4855 WWB

- vernietigt de aangevallen uitspraak 2 voor zover betrekking hebbend op bestreden besluit 3;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 3 gegrond en vernietigt dat besluit,

behoudens voor zover daarbij proceskosten (lees: bezwaarkosten) zijn toegekend;

- herroept het besluit van 8 mei 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde besluit van 18 juni 2013;

- veroordeelt het college tot vergoeding van de schade aan appellant zoals onder 8.5 van deze

uitspraak is vermeld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.704,50,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 162,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en

A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewilligen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is buiten staat te ondertekenen

RB