Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3029

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
13-3922 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting bijstand. Gegrond vermoeden dat mogelijk geen recht meer bestond op een (volledige) bijstandsuitkering. Intrekking bijstand. Niet voldaan aan inlichtingenverplichting. Door onvoldoende openheid van zaken te geven, heeft appellante een zodanige onduidelijke situatie geschapen met betrekking tot haar financiële positie dat daardoor niet is vast te stellen of er recht dan wel aanvullend recht op bijstand bestond. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3922 WWB, 13/5152 WWB

Datum uitspraak: 16 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 12 juni 2013, 12/3922 (aangevallen uitspraak 1) en van 31 juli 2013, 13/1303 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.V. Tjon, medewerker van het Buro Bezwaar en Beroep te Almere, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 5 augustus 2014. Namens appellante is verschenen R.V. Tjon. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.W. Meijer.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres ontving vanaf 14 augustus 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een bestandsvergelijking door de belastingdienst, waaruit bleek dat appellante vermoedelijk over een bankrekening beschikte die bij de afdeling Sociale zaken van de gemeente Almere niet bekend was, en een telefonische melding bij die afdeling dat appellante kamers verhuurde, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand. In het kader van dit onderzoek is appellante diverse malen uitgenodigd gegevens te verstrekken, is zij uitgenodigd voor gesprekken, is informatie ingewonnen bij diverse instanties en heeft een huisbezoek plaatsgevonden aan het adres van appellante. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 maart 2012. Hangende het onderzoek is de betaling van de bijstand met ingang van 1 januari 2012 geblokkeerd.

1.3.

In de onderzoeksbevindingen heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van

27 maart 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juli 2012 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 14 augustus 2009. Bij besluit van 19 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 februari 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 14 augustus 2009 tot en met

31 december 2011 van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 22.244,72.

2.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de ingestelde beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de opschorting/blokkering

4.1.

Ter zitting is namens het college toegelicht dat de betaling van bijstand met ingang van

1 januari 2012 is geblokkeerd. Of het blokkeren of stopzetten van de betaling van bijstand is geoorloofd, hangt af van het antwoord op de vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans ten minste het gegronde vermoeden kan hebben, dat een betrokkene geen recht (meer) heeft op een (volledige) bijstandsuitkering. Als regel zal daartoe aanleiding bestaan als uit onderzoek gegevens bekend worden die erop duiden dat een betrokkene zijn wettelijke inlichtingenverplichting niet of niet volledig is nagekomen, maar nog onvoldoende grondslag bestaat om alvast tot herziening of intrekking van de bijstand over te gaan.

4.1.1.

Appellante heeft niet betwist dat sprake was van een bij het college onbekende bankrekening. Nadat zij op 7 december 2011 op verzoek van de dienst Sociale Zaken van de gemeente Almere enkele kopieën had verstrekt van bankafschriften, hebben medewerkers van deze dienst geconstateerd dat nog niet alle relevante informatie was verstrekt. Vervolgens hebben zij bij brieven van 13 december 2011 en 10 en 20 januari 2012 aan appellante verzocht de ontbrekende informatie alsnog te verstrekken. Appellante heeft in reactie op deze brieven geen nadere bankafschriften verstrekt en zij is niet verschenen op uitnodigingen tot gesprekken. Daarbij is tevens gebleken dat zij, zonder de afdeling daarvan op de hoogte te hebben gesteld, gedurende deze periode in ieder geval enkele weken in Suriname heeft verbleven.

4.1.2.

Onder deze omstandigheden kon op 1 januari 2012 een gegrond vermoeden bestaan dat mogelijk geen recht meer bestond op een (volledige) bijstandsuitkering en kon het college derhalve besluiten tot blokkering van de betaling van bijstand met ingang van 1 januari 2012.

4.1.3.

De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat - anders dan appellante meent - voor zover het besluit tot blokkering als herroepen moet worden beschouwd die herroeping niet heeft plaatsgevonden wegens een aan het college toe te rekenen onrechtmatigheid. De grond van appellante dat het college ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft plaatsgevonden ten aanzien van haar bezwaar tegen het besluit tot blokkering, slaagt dan ook niet.

Ten aanzien van de intrekking

4.2.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 14 augustus 2009 tot en met

27 maart 2012.

4.2.1.

Het college heeft de intrekking van de bijstand gebaseerd op de vaststelling dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting onvoldoende is nagekomen omdat zij niet de gevraagde schriftelijke gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt hoe zij in haar levensonderhoud voorziet, waardoor niet kan worden vastgesteld of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Appellante betwist dat zij de gevraagde inlichtingen niet heeft verstrekt en betwist voorts dat op grond van de door haar verstrekte inlichtingen niet kan worden vastgesteld dat zij in een bijstandbehoevende positie verkeert. Ten aanzien van deze beroepsgronden wordt als volgt overwogen.

4.2.2.

Uit het onderzoek naar de door appellante overgelegde bankafschriften is gebleken dat zij weinig of nauwelijks pint bij supermarkten en weinig of nauwelijks contant geld opneemt. Zo heeft zij over de periode 3 januari 2010 tot en met 16 juni 2010 slechts voor een bedrag van € 51,88 betaald bij supermarkten en slechts € 100,- contant geld opgenomen. In de periode 30 juli 2011 tot en met 31 december 2011 heeft zij voor een bedrag van € 88,66 gepind bij supermarkten en slechts € 370,- aan contant geld opgenomen. Volgens de gegevens van het Nibud zijn de kosten voor het levensonderhoud voor een alleenstaande ouder met twee kinderen ongeveer € 300,- per maand. Uit de bankafschriften is voorts gebleken dat zij weinig of nauwelijks pint voor kleding voor zichzelf en haar kinderen, maar af en toe wel grote bedragen pint voor luxe artikelen en uitgaven aan dierenklinieken.

4.2.3.

Appellante heeft in de bezwaarfase en in beroep aangevoerd dat zij veel bij familie en vrienden eet, waaronder bij haar moeder en haar zus. Daarnaast heeft zij in 2009 geld terug ontvangen van Nuon, heeft zij in 2010 geld ontvangen van haar zus en in 2011 geld ontvangen als uitkering op een verzekeringsclaim. Van dit geld heeft zij onder meer boodschappen gedaan. Ook ontvangt zij boodschappen in natura van een vriend. In hoger beroep heeft appellante een toelichting per maand gegeven op de wijze waarop zij in haar levensonderhoud heeft voorzien. Daarbij heeft zij verklaard dat zij, behalve over eerdergenoemde extra bedragen, ook over extra geld heeft beschikt doordat zij heeft ingeteerd op spaargeld. Zij heeft deze verklaring mede laten ondertekenen door haar buurman, moeder en zuster.

4.2.4.

Deze verklaringen zijn opgemaakt ruimschoots na de in geding zijnde periode en niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken ondersteund. Daarom kan daaraan niet die waarde worden toegekend die appellante eraan gehecht wenst te zien. Nu uit de bankafschriften niet blijkt hoe appellante haar dagelijkse boodschappen heeft betaald had het op haar weg gelegen om hierover helderheid te verschaffen. Bovendien had appellante de door haar gestelde giften uit eigen beweging dienen te melden bij de dienst Sociale Zaken, hetgeen zij heeft nagelaten. Tot slot heeft appellante geen verklaring gegeven voor de omstandigheid dat bij het huisbezoek een volledig ingerichte woning is aangetroffen, terwijl appellante nu stelt dat zij de uitkering op een verzekeringsclaim ter hoogte van € 11.601,92 vrijwel geheel heeft aangewend voor haar levensonderhoud.

4.3.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat appellante niet heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting. Door onvoldoende openheid van zaken te geven, heeft zij een zodanige onduidelijke situatie geschapen met betrekking tot haar financiële positie dat daardoor niet is vast te stellen of er recht dan wel aanvullend recht op bijstand bestond. Gelet hierop was het college bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 14 augustus 2009 tot en met

27 maart 2012. Tegen de wijze waarop het college van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt heeft appellante geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het besluit tot intrekking in rechte stand houdt.

Ten aanzien van de terugvordering

4.4.

Tegen de terugvordering is slechts aangevoerd dat daarvoor geen grondslag bestaat, nu ten onrechte tot intrekking is overgegaan. Uit 4.3. volgt dat ook deze beroepsgrond niet slaagt.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de rechtmatigheid van het aan het adres van appellante afgelegde huisbezoek, nu zij een verzoek heeft ingediend tot schadevergoeding. Artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon kan veroordelen tot vergoeding van de schade die partij lijdt.

4.5.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Deze ongegrondverklaring houdt in rechte stand. Anders dan appellante meent, kan het college in de onderhavige procedure dan ook niet op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb worden veroordeeld tot vergoeding van de door appellante gestelde schade als gevolg van het besluit op bezwaar van 16 juli 2012. Voor zover de gestelde schade geen verband houdt met een onrechtmatig besluit, maar een gevolg is van feitelijk handelen, bijvoorbeeld door medewerkers van de gemeente Almere tijdens het huisbezoek aan appellante op 26 januari 2012, kan appellante zich wenden tot de civiele rechter.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) C. Moustaine

RB