Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3026

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
13-4090 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4090 WWB, 13/4091 WWB

Datum uitspraak: 16 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 juli 2013, 12/2230 en 12/2231 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2014. Namens appellanten is mr. Grégoire verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.M. Benning-Hellenbrand.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In aanvulling daarop ontvingen appellanten bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

De afdeling Werk en inkomen van de gemeente heeft op 1 augustus 2012 een anonieme telefonische melding ontvangen, onder meer inhoudende dat appellanten voor vier maanden vakantie naar Iran zijn vertrokken en dat appellant zwart werkt. Naar aanleiding daarvan heeft case-manager M. Smeets, (case-manager) appellanten bij brief van 8 augustus 2012 in het kader van een incidenteel heronderzoek uitgenodigd voor een gesprek op 14 augustus 2012 om 10.00 uur en hen verzocht bepaalde gegevens en bescheiden mee te nemen. In de brief is vermeld dat beiden bij het gesprek aanwezig dienen te zijn. Appellant is op 14 augustus 2012 alleen bij de case-manager verschenen met enkele van de opgevraagde stukken. Hij heeft daarbij meegedeeld dat appellante wegens ziekte thuis was gebleven. Met behulp van de bankpas van appellante heeft hij de case-manager inzage verschaft in de rekeningmutaties van de ten name van appellante gestelde bankrekening. Deze heeft daarvan afdrukken gemaakt. Aansluitend aan het gesprek heeft de case-manager met instemming van appellant getracht te verifiëren of appellante thuis was. Op aanbellen bij de flatdeur en de huisdeur werd niet gereageerd en op kloppen op de deur en het raam evenmin. Ook een oproep naar de mobiele telefoon van appellante werd niet beantwoord.

1.3.

Bij besluit van 14 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 december 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college het recht op bijstand van appellanten per direct opgeschort. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant niet alle opgevraagde stukken heeft overgelegd en appellante niet op de uitnodiging voor 14 augustus 2012 is verschenen. Daarbij heeft het college appellanten gelegenheid geboden om het verzuim te herstellen door hen beiden uit te nodigen voor een gesprek op 15 augustus 2012 om 09.00 uur en door hen te verzoeken de nog niet getoonde bankafschriften van de afgelopen drie maanden van alle in hun bezit zijnde bankrekeningen mee te nemen, alsmede de vrijwilligerscontracten van appellante. Het besluit van 14 augustus 2012 is op diezelfde dag, zoals tijdens het gesprek met appellant aangekondigd, bij appellanten in de brievenbus bezorgd.

1.4.

Appellant heeft de case-manager op 15 augustus 2012 om 09.02 uur telefonisch laten weten dat appellante niet zou komen omdat zij sliep en hij haar niet wakker wilde maken. Appellanten zijn op de uitnodiging voor die dag niet verschenen. Zij hebben de gevraagde gegevens niet overgelegd.

1.5.

Bij besluit van 20 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij afzonderlijk besluit van eveneens 13 december 2012 (bestreden besluit 2), heeft het college de bijstand van appellanten ingetrokken met ingang van 14 augustus 2012. Daaraan ligt ten grondslag dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting verwijtbaar hebben geschonden doordat zij de opgevraagde stukken niet hebben overgelegd en appellante niet is verschenen op de uitnodiging voor een gesprek, terwijl zij geen gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om het verzuim binnen de daartoe gestelde termijn te herstellen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Opschorting (bestreden besluit 1)

4.1.

Het bestreden besluit berust op toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB. Ingevolge die bepaling heeft het bijstandverlenend orgaan de bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent.

4.2.

Het college heeft in redelijkheid van appellanten kunnen verlangen dat zij de bankafschriften van alle op hun naam staande rekeningen over de afgelopen drie maanden zouden overleggen. Deze gegevens zijn van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand.

4.2.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat het college geen goede reden had om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de aan hen verleende bijstand door het opvragen van – voor zover hier van belang – de bankafschriften over de laatste drie maanden van alle op naam van appellanten gestelde rekeningen. Deze grond slaagt niet. Het college heeft in redelijkheid in de op 1 augustus 2012 ontvangen telefonische melding, waarvan een weergave zich onder de gedingstukken bevindt, aanleiding kunnen zien om onderzoek in te stellen naar de juistheid van die melding. De omstandigheid dat van die melding geen nadere gegevens bekend zijn doet daaraan niet af.

4.2.2.

Het verzoek om bankafschriften over te leggen betreft een beperkte periode van drie maanden. Dit betekent, anders dan appellanten hebben aangevoerd, in het licht van de door het college ontvangen melding niet een zodanige inbreuk op het recht op respectering van hun privacy dat in redelijkheid niet van hen kon worden gevergd daaraan gehoor te geven. Met betrekking tot de gevraagde afschriften van de bankrekening van appellante hebben zij dan ook aan het verzoek voldaan op de hiervoor onder 1.2. vermelde wijze.

4.2.3.

Voorts brengt het feit dat met het opvragen van bankafschriften kosten zijn gemoeid niet mee dat het college om die reden van het verzoek had moeten afzien. Zoals blijkt uit de gang van zaken rond de bankrekening van appellante heeft het college genoegen genomen met een methode waarbij op het kantoor van de case-manager op het bankaccount werd ingelogd, waarna ter plaatse een afdruk van de mutaties kon worden gemaakt. Niet is gebleken dat een gelijke werkwijze niet had kunnen worden gevolgd ten aanzien van de drie bankrekeningen van appellant. De op de kosten van de bankafschriften betrekking hebbende beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.3.

Niet in geschil is dat appellant niet, zoals verzocht, op 14 augustus 2012 de bankafschriften met betrekking tot de op zijn naam gestelde drie bankrekeningen heeft overgelegd en evenmin een bankpas beschikbaar heeft gehad om met behulp daarvan in te loggen en afdrukken van de mutaties te maken. Hiermee heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Wat appellanten hebben aangevoerd met betrekking tot de reden waarom appellant zijn verdere medewerking aan het onderzoek naar zijn bankrekeningen heeft geweigerd, komt erop neer dat appellant geïrriteerd was geraakt door de bejegening door de case-manager. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat hem niet is te verwijten dat hij aan het verzoek van het college geen gehoor heeft gegeven.

4.4.

Het college heeft voorts in redelijkheid van appellante kunnen verlangen dat zij gehoor zou geven aan de uitnodiging voor een gesprek op het kantoor van de case-manager op

14 augustus 2012, althans dat zij zich aan de case-manager zou vertonen in de deuropening van haar woning, althans voor het raam. Haar aanwezigheid was van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand.

4.4.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat het college geen goede reden had om appellante uit te nodigen voor het gesprek op 14 augustus 2012 of om te verlangen dat zij zich aan de case-manager zou tonen, aangezien het college op andere wijze had kunnen vaststellen dat appellante in Nederland verbleef. Deze grond slaagt niet. De onder 1.2. genoemde melding vormde voldoende aanleiding om appellanten uit te nodigen om nadere informatie te verstrekken over de feitelijke verblijfplaats van appellante. Zoals het college onweersproken naar voren heeft gebracht zijn de medische gegevens met betrekking tot opname van appellante in een ziekenhuis in Nederland eerst in de bezwaarprocedure overgelegd, zodat het college op 14 augustus 2012 niet op grond van die gegevens kon vaststellen dat zij in Nederland verbleef.

4.5.

Niet in geschil is dat appellante op 14 augustus 2012 niet voor een gesprek bij de case-manager is verschenen en evenmin zich op andere wijze aan de case-manager heeft getoond. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat hen niet is te verwijten dat appellante aan de uitnodiging geen gehoor heeft gegeven. Hun stelling dat appellante in verband met ziekte daartoe niet in staat was is niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Voorts is niet gebleken dat appellante - zoals door appellant tegenover de case-manager is

verklaard - door angst ervan werd weerhouden om de deur voor de case-manager te openen. Het door P. Boselie op 15 augustus 2012 aan het college verzonden e-mailbericht behelst geen objectieve en verifieerbare gegevens, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat appellante niet in staat was aan het verzoek om zich aan de case-manager te tonen, gehoor te geven. Bovendien is deze verklaring niet te rijmen met de door appellanten niet bestreden weergave van deze poging tot huisbezoek door de case-manager. Daaruit komt immers naar voren dat dat appellant haar behulpzaam is geweest in haar pogingen appellante bij de deur of bij het raam te laten verschijnen.

4.6.

Wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen betekent dat het college op grond van artikel 54, eerste lid, van de WWB bevoegd was tot opschorting van het recht op bijstand vanaf 14 augustus 2012, de dag waarop appellant geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek tot het overleggen van afschriften van de op zijn naam gestelde drie bankafrekeningen en appellante heeft verzuimd te verschijnen op het kantoor van de case-manager en het verzoek zich op andere wijze aan haar te tonen niet heeft ingewilligd.

4.7.

Wat appellanten hebben aangevoerd, vormt geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand met ingang van 14 augustus 2012 gebruik heeft kunnen maken.

Intrekking (bestreden besluit 2)

4.8.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

4.9.

Zoals hiervoor is overwogen waren de bij de brief van 8 augustus 2012 aan appellanten gevraagde gegevens en medewerking van belang voor de verlening van de bijstand aan appellanten en hebben zij verwijtbaar verzuimd aan het verzoek gehoor te geven.

4.10.

Niet meer in geschil is dat appellanten ervan op de hoogte waren dat de case-manager hen had uitgenodigd om hun verzuim te herstellen door op 15 augustus 2012 om 09.00 uur beiden op kantoor te verschijnen met medeneming van de afschriften van de ten name van appellant gestelde bankrekeningen.

4.11.

Vaststaat dat appellanten geen gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid om hun verzuim op 15 augustus 2012 te herstellen. Appellanten hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat hen niet is te verwijten dat zij hun verzuim niet binnen de daartoe gestelde termijn hebben hersteld. Zij hebben hun stelling dat appellant zich op 15 augustus 2012 voor het gesprek met de

case-manager bij de receptie heeft gemeld en hem verdere toegang werd geweigerd, welke stelling door het college uitdrukkelijk is weersproken, niet onderbouwd. Bovendien blijft de conclusie onverlet dat appellante in het geheel niet is verschenen, terwijl het appellanten duidelijk was dat het verzuim dat hersteld diende te worden onder meer zag op het verifiëren van haar aanwezigheid.

4.12.

Hiermee is gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellanten met ingang van 14 augustus 2012 in te trekken.

4.13.

Wat appellanten hebben aangevoerd levert geen grond op voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.14.

Appellanten hebben aangevoerd dat het college niet volledig heeft voldaan aan de uit artikel 8:42, eerste lid, van de Awb voortvloeiende verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. De Raad zal hieraan geen gevolgen verbinden. Appellanten zijn door deze omissie niet in hun processuele belangen geschaad.

4.15.

Wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.14 is overwogen brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) C. Moustaine

RB