Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3019

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2014
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
13-52 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om AKW toe te kennen. Apperllante beschikte niet over een geldige verblijfsvergunnning. De Raad ziet geen aanleiding deze procedure aan te houden, nu het niet ondenkbeeldig is dat het nog geruime tijd zal duren voordat het VN-Mensenrechtencomité zijn Inzichten zal hebben vastgesteld, nog daargelaten de vraag of een eventueel gegronde klacht (directe) consequenties heeft voor het onderhavige hoger beroep. Het geding betreft het recht op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2010 tot en met het derde kwartaal van 2011. Niet in geschil is dat appellante aan het nationale recht geen recht op kinderbijslag kan ontlenen. Wel in geschil is de vraag of uit het internationale recht moet worden afgeleid dat appellante, in de periode in geding, niet mag worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW op de grond dat zij niet beschikte over een verblijfstitel als in artikel 6, tweede lid, van de AKW genoemd. Kortheidshalve wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:994) in een met het onderhavige geding vergelijkbare zaak. In die uitspraak heeft de Raad, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, overwogen dat het beroep op artikel 8 in samenhang met artikel 14 van het EVRM niet kan slagen. Dusdanige schrijnende omstandigheden dat deze in het geval van appellante zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel zijn niet aangevoerd of gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/52 AKW

Datum uitspraak: 12 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

22 november 2012, 12/1690 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2014. Namens appellante is verschenen mr. Fischer. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

OVERWEGINGEN

1.

Appellante is op 25 september 1984 geboren en heeft de Georgische nationaliteit. Ze stelt sinds november 2000 in Nederland te verblijven. Op 12 december 2002 is haar zoon [naam] in Nederland geboren. Een aanvraag om kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) is door de Svb afgewezen bij besluit van 2 april 2010, omdat appellante niet over een geldige verblijfsvergunning beschikte. Een hernieuwde aanvraag van 26 juli 2011 is om dezelfde reden bij besluit van 10 november 2011 eveneens afgewezen. Het bezwaar tegen laatstgenoemd besluit is bij het bestreden besluit van 5 juni 2012 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Zij heeft bij haar oordeelsvorming de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1905) in een aantal vergelijkbare zaken tot leidraad genomen. In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat het beroep op diverse verdragsbepalingen niet kan leiden tot een uitzondering op het in artikel 6, tweede lid, van de AKW neergelegde koppelingsbeginsel. In het kader van de toetsing aan artikel 8 in samenhang met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de Raad het in artikel 6, tweede lid, van de AKW gemaakte onderscheid echter voor bepaalde nader omschreven gevallen niet gerechtvaardigd geacht. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellante niet voldoet aan de door de Raad geformuleerde voorwaarden. Het koppelingsbeginsel kan haar onverkort worden tegengeworpen. Dit betekent dat appellante aan het nationale en het internationale recht geen recht op kinderbijslag kan ontlenen.

3.

Inmiddels heeft de Hoge Raad op 23 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7740) het beroep in cassatie, ingesteld door de Svb tegen de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011, gegrond verklaard, de uitspraak van de Raad vernietigd en de onderliggende uitspraken van de rechtbanken bevestigd. De Hoge Raad heeft hiertoe overwogen dat het in artikel 6, tweede lid, van de AKW gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus, ook in het geval van betrokkenen, een legitiem doel dient en ook in hun geval in een redelijke en proportionele verhouding staat tot dat legitieme doel, zodat voor dat onderscheid ook in hun geval een toereikende rechtvaardiging bestaat. Hierbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het onderscheid niet gerechtvaardigd hoeft te worden door zeer gewichtige redenen, maar dat bepalend is of een dergelijk onderscheid wordt gerechtvaardigd door toereikende argumenten. In dat kader heeft de Hoge Raad onder meer van belang geacht dat het voorwerp van geschil de sociale zekerheid betreft, op welk gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Voor de rechtvaardiging van de uitsluiting van bepaalde groepen vreemdelingen van het recht op kinderbijslag heeft de Hoge Raad, naast de (legitieme) doelstelling van de koppelingswetgeving, verder van betekenis geacht dat bij de ouders een eigen verantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen rust, waarbij kinderbijslag slechts is bedoeld als ondersteuning in de kosten daarvan en niet behoort tot de sociale voorzieningen die tot doel hebben te verhinderen dat gezinnen met kinderen onder het bestaansminimum leven. Hoewel het kind in zekere zin een eigen belang heeft bij de uitkering, heeft het geen zelfstandige aanspraak op kinderbijslag, evenmin resulteert het eigen belang van het kind in een aanspraak van de ouders op kinderbijslag. Anders dan de Raad heeft de Hoge Raad de omstandigheid dat een betrokkene met medeweten van de Staat langdurig in Nederland verblijft en door dit verblijf met zijn gezin een bepaalde band met de Nederlandse samenleving heeft kunnen opbouwen, in zijn beoordeling niet relevant geacht. Ook indien de band van de betrokkenen met Nederland zo sterk is geworden dat zij, naar de omstandigheden beoordeeld, hier te lande wonen in de zin van artikel 3 van de AKW, is volgens de Hoge Raad geen sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding kan geven om een nuancering aan te brengen op het oordeel dat het onderhavige onderscheid gerechtvaardigd is. Ook het bepaalde in het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) leidt niet tot een ander oordeel.

4.

In hoger beroep erkent de gemachtigde van appellante dat, gezien het arrest van de Hoge Raad, de zaak moeilijk betoogbaar is, maar hij blijft van mening dat de Hoge Raad onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het IVRK. De gemachtigde heeft het arrest van de Hoge Raad inmiddels via een klachtprocedure voorgelegd aan het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties. Hij verzoekt deze zaak aan te houden totdat het Comité zijn Inzichten heeft vastgesteld.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De Raad ziet geen aanleiding deze procedure aan te houden, nu het niet ondenkbeeldig is dat het nog geruime tijd zal duren voordat het VN-Mensenrechtencomité zijn Inzichten zal hebben vastgesteld, nog daargelaten de vraag of een eventueel gegronde klacht (directe) consequenties heeft voor het onderhavige hoger beroep.

5.2.

Het geding betreft het recht op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2010 tot en met het derde kwartaal van 2011. Niet in geschil is dat appellante aan het nationale recht geen recht op kinderbijslag kan ontlenen. Wel in geschil is de vraag of uit het internationale recht moet worden afgeleid dat appellante, in de periode in geding, niet mag worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW op de grond dat zij niet beschikte over een verblijfstitel als in artikel 6, tweede lid, van de AKW genoemd.

5.3.

Kortheidshalve wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:994) in een met het onderhavige geding vergelijkbare zaak. In die uitspraak heeft de Raad, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, overwogen dat het beroep op artikel 8 in samenhang met artikel 14 van het EVRM niet kan slagen. Dusdanige schrijnende omstandigheden dat deze in het geval van appellante zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel zijn niet aangevoerd of gebleken.

5.4.

De aangevallen uitspraak dient derhalve bevestigd te worden.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) M.P. Ketting

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over kring van verzekerden.

HD