Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3017

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
12-5029 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit van 11 juli 2000. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5029 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

27 augustus 2011, 12/644 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringsbank (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2014. Appellant is daarbij verschenen, bijgestaan door mr. Kreutzkamp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is met ingang van 30 augustus 1988 een uitkering toegekend ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 11 juli 2000 is deze uitkering per

11 september 2000 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 25% zou bedragen. Tevens is bij besluit van 18 augustus 2000 bepaald dat de uitkering van appellant vanaf 13 september 1999, in verband met inkomsten uit arbeid, wordt betaald naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.2. Het namens appellant gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 11 juli 2000 en

18 augustus 2000 is bij besluit van 6 december 2000 ongegrond verklaard. Bij besluit van

5 maart 2002 heeft het Uwv bepaald dat de uitkering over de periode van 13 september 1999 tot 11 september 2000 wordt betaald naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. De rechtbank Maastricht heeft het namens appellant ingesteld beroep tegen het besluit van

6 december 2000 gegrond verklaard voor zover gericht tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 13 september en voor het overige ongegrond verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is vervolgens niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Appellant heeft vanaf september 1999, met onderbrekingen, gewerkt als autoverkoper bij [naam werkgever] te [plaatsnaam]. Nadat hij deze werkzaamheden wegens ziekte had gestaakt heeft het Uwv bij besluit van 27 september 2007 met ingang van 4 oktober 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering aan appellant toegekend.

1.4. Bij brief van 25 juni 2009 is namens appellant aan het Uwv verzocht om terug te komen van de besluiten van 11 juli 2000 en 18 augustus 2000. Daarbij is aangevoerd dat de structurele functionele beperkingen die ten grondslag liggen aan de toekenning van de

WGA-uitkering per 4 oktober 2007 ook reeds in 2000 aanwezig waren en toen hadden moeten leiden tot een voortzetting van de toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering.

1.5. Het Uwv heeft bij besluit van 8 september 2011 besloten niet terug te komen van de besluiten van 11 juli 2000 en 18 augustus 2000, met als reden dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangevoerd die hiertoe aanleiding geven. Daarbij is verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts die heeft geconstateerd dat sprake is van een verschil in de vastgestelde belastbaarheid in 2000 en 2007 die is gelegen in een toename van de beperkingen dan wel een afname van de belastbaarheid.

1.6. Het tegen het besluit van 8 september 2011 gerichte bezwaar van appellant is, na een herbeoordeling door een bezwaarverzekeringsarts, bij besluit van 2 maart 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant - wederom - aangevoerd dat zijn medische situatie in 2007 niet of nauwelijks afweek van die in 2000. Appellant is van mening dat zijn klachten in 2000 niet serieus zijn genomen door het Uwv.

3.2.

Ter zitting is namens appellant desgevraagd meegedeeld dat het verzoek om terug te komen van alleen betrekking heeft op het tijdvak gelegen voor de toekenning van de

WGA-uitkering per 4 oktober 2007 en dat het verzoek alleen betrekking heeft op het besluit van 11 juli 2000.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voorop moet worden gesteld dat, gelet op hetgeen ter zitting is besproken, het verzoek van appellant van 25 juni 2009 er alleen toe strekt dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 11 juli 2000 voor een tijdvak gelegen voor het verzoek.

4.2.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Er is alleen plaats voor een inhoudelijk toetsing voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, is voor inhoudelijk toetsing geen plaats.

4.3.

Ter ondersteuning van zijn verzoek is namens appellant aangevoerd dat zijn medische klachten in 2000 niet serieus zijn genomen, hetgeen blijkt uit de medische beoordeling in 2007 toen hij volledig arbeidsongeschikt is geacht. Dit zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Appellant had al in 2000 kunnen aanvoeren dat hij meende niet serieus te worden genomen. Verder blijkt uit de medische beoordeling in 2007 dat toen meer beperkingen voor appellant zijn aangenomen in verband met een verslechtering van de medische situatie van appellant dan in 2000. Er was in 2007 daarom sprake van een andere medische situatie van appellant dan in 2000. Voor een inhoudelijke toetsing van het bestreden besluit is daarom geen plaats. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die het Uwv in dit geval aanleiding hadden moeten geven tot een andere beslissing te komen. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond verklaard.

4.4.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak;

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) M.P. Ketting

HD