Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:301

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
12-3841 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand op grond van de Beleidsregels aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, omdat het inkomen meer bedraagt dan 110% van het geldend sociaal minimum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/59

Uitspraak

12/3841 WWB

Datum uitspraak: 4 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 juni 2012, 11/2882 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. M.F. Vermaat, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en desgevraagd nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2013. Voor appellante is

mr. dr. Vermaat verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 2 maart 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 mei 2010, heeft het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor kosten die voortkomen uit een chronische beperking afgewezen.

1.2.

Appellante heeft tegen het besluit van 17 mei 2010 bij de rechtbank beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft het college appellante bij brief van 24 augustus 2010 meegedeeld dat het tot de conclusie is gekomen dat het besluit van 17 mei 2010 in rechte geen stand zal houden. Hoewel appellante vanwege de hoogte van haar inkomen niet in aanmerking kan komen voor bijzondere bijstand op grond van de Beleidsregels aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Beleidsregels), had beoordeeld moeten worden of zij op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) voor individuele bijzondere bijstand in aanmerking kon komen. Bij uitspraak van 1 september 2010, 10/3001, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 mei 2010 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op de inhoud van de brief van het college van

24 augustus 2010, het besluit van 17 mei 2010 niet wordt gedragen door een deugdelijke motivering. Tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 september 2010 heeft appellante geen hoger beroep ingesteld.

1.3.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 1 september 2010 heeft het college bij besluit van 7 december 2010 het besluit van 2 maart 2010 herroepen en appellante met ingang van 1 november 2009 een bedrag van € 80,- per maand toegekend. Het college heeft daarbij overwogen dat artikel 35, vierde lid, van de WWB van toepassing is, vastgesteld dat appellante in 2010 geen draagkracht heeft en daarnaast meegedeeld dat jaarlijks een inkomenstoets zal plaatsvinden. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep bij de rechtbank ingesteld

1.4.

Bij besluit van 14 februari 2011 heeft het college geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand op grond van de Beleidsregels, omdat haar inkomen meer bedraagt dan 110% van het voor haar geldend sociaal minimum.

1.5.

Bij besluit van 20 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 februari 2011 niet-ontvankelijk verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2011 ongegrond verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van

14 februari 2011 ongegrond is verklaard.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante heeft allereerst aangevoerd dat de weigering van het college om haar in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand op grond van de Beleidsregels in strijd is met het vertrouwensbeginsel, omdat het college appellante bij besluit van 7 december 2010 categoriale bijzondere bijstand op grond van de Beleidsregels heeft toegekend en deze toekenning geldt voor vijf jaar.

4.2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat bij het besluit van

7 december 2010 aan appellante geen bijzondere bijstand op grond van de Beleidsregels is toegekend, maar individuele bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat in het besluit van 7 december 2010 weliswaar is vermeld dat artikel 35, vierde lid, van de WWB van toepassing is, maar dat tevens een draagkrachtberekening is gemaakt en appellante is meegedeeld dat jaarlijks een inkomenstoets zal plaatsvinden. Bij personen als appellante zonder inkomsten uit arbeid vindt een dergelijke draagkrachtberekening en een jaarlijkse inkomenstoets niet plaats in het kader van de toepassing van de Beleidsregels, maar wel in het kader van de toepassing van

artikel 35, eerste lid, van de WWB. De rechtbank heeft voorts van belang geacht dat het besluit van 7 december 2010 een uitvloeisel is van de hiervoor onder 1.1 en 1.2 beschreven procedure waarin het standpunt van het college steeds is geweest dat appellante geen recht had op bijzondere bijstand op grond van de Beleidsregels, maar mogelijk wel in aanmerking komt voor individuele bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

4.3.

De Raad verenigt zich met het onder 4.2 weergegeven oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel berust. Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, komt neer op een herhaling van wat zij in eerste aanleg heeft aangevoerd en leidt niet tot een ander oordeel. De onder 4.1 weergegeven beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.4.

Appellante heeft verder aangevoerd dat het college bij de boordeling of zij in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Beleidsregels ten onrechte haar bruto-inkomen in aanmerking heeft genomen. Het in aanmerking nemen van het bruto-inkomen is volgens appellante in strijd met het systeem van de WWB.

4.5.

In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2, recht op bijzondere bijstand heeft voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

4.6.

In artikel 35, vierde lid, van de WWB is bepaald dat in afwijking van het eerste lid, bijzondere bijstand ook kan worden verleend aan een persoon behorend tot de categorie chronisch zieken of gehandicapten, met betrekking tot kosten in verband met chronische ziekte of handicap, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van die persoon of dat kind, die kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

4.7.

Voorwaarde voor het verlenen van bijzondere bijstand op grond van artikel 35, vierde lid, van de WWB is dat ten aanzien van de categorie waartoe de betrokkene behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan in verband met chronische ziekte of handicap, waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan. Bij beantwoording van de vraag of aan deze voorwaarde is voldaan heeft het college beoordelingsvrijheid.

4.8.

Ingevolge artikel 2.1 van de Beleidsregels verstrekt het college als aanvulling op een eventuele vergoeding op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, op aanvraag, aan chronisch zieken en gehandicapten met een laag inkomen een forfaitaire vergoeding ter bestrijding van noodzakelijk te maken meerkosten die de ziekte of de handicap met zich meebrengt. In artikel 1.2, aanhef en onder f, van de Beleidsregels, voor zover van belang, is bepaald dat onder een laag inkomen wordt verstaan: een uitkering ingevolge de WWB of een ander fiscaal (gezins)inkomen dat minder dan of gelijk is aan 110% van de afhankelijk van de gezinssituatie van toepassing zijnde bruto IOAW-norm. In artikel 1.2, aanhef en onder d, van de Beleidsregels, voor zover van belang, is bepaald dat onder fiscaal inkomen wordt verstaan: het brutoloon, zoals dit blijkt uit de jaaropgave of de inkomensspecificatie van een werkgever en/of een uitkeringsinstelling zoals DWI.

4.9.

Met de onder 4.8 weergegeven artikelen van de Beleidsregels is het college ten aanzien van de categorie chronisch zieken en gehandicapten waartoe appellante behoort (reumapatiënten) de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten gegaan. Anders dan appellante heeft aangevoerd, kan uit artikel 35, vierde lid, van de WWB bezien in samenhang met artikel 35, eerste lid, van de WWB niet worden afgeleid dat het college bij de beantwoording van de vraag of aan de onder 4.7 genoemde voorwaarde is voldaan niet aan de hand van een vergelijking van het brutoloon, zoals dit blijkt uit de jaaropgave of de inkomensspecificatie van een werkgever of een uitkeringsinstelling, en de voor de betrokkene geldende IOAW-norm mag bepalen of de betrokkene een laag inkomen heeft. De omstandigheid dat in het kader van de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB onder inkomen, gelet op artikel 31, derde lid, van de WWB, het netto-inkomen moet worden verstaan en ook de bijstandsnorm, gelet op artikel 19, vierde lid, van de WWB, een nettobedrag is, is daarvoor onvoldoende. Voorts is van belang dat het college voor de in de Beleidsregels omschreven wijze van vaststelling of een betrokkene een laag inkomen heeft, heeft gekozen met het oog op de eenvoud van de uitvoering van de regeling. Dit blijkt uit de in eerste aanleg overgelegde brief van 6 december 2011, Het voorgaande betekent dat de onder 4.4 weergegeven beroepsgrond niet slaagt.

4.10.

Wat is overwogen onder 4.3 en 4.9 betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover deze is aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A.C. Oomkens

HD