Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
13-2361 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Anders dan appellanten betogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de in het rapport van 18 juni 2012 neergelegde onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van het college dat appellanten in de te beoordelen periode niet duurzaam gescheiden leefden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2361 WWB, 13/2393 WWB

Datum uitspraak: 2 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 29 maart 2013, 12/6015 en 12/6016 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

De zaken zijn gevoegd ter behandeling aan de orde gesteld op 10 juni 2014, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten zijn met elkaar gehuwd en hebben drie kinderen, waarvan het jongste kind is geboren in 1989. Appellanten hebben van 12 april 1984 tot 28 december 1990 bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden. Appellante heeft het college eind december 1990 verzocht haar bijstand te verlenen naar de norm voor een alleenstaande ouder in verband met het vertrek van appellant uit de echtelijke woning. Het college heeft appellante vervolgens bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder over de periode van 28 december 1990 tot 25 februari 2007 en aansluitend tot 3 januari 2011 naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante woont vanaf

26 april 1991 aan de [adres].

1.2.

Het college heeft appellant, voor zover hier van belang, over de periode van

23 februari 2001 tot 3 januari 2011, met onderbrekingen, bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de WWB. Appellant heeft in deze periode in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op zes verschillende adressen binnen de gemeente Nijmegen ingeschreven gestaan.

1.3.

Met ingang van 3 januari 2011 heeft het college appellanten bijstand verleend naar de norm voor gehuwden in verband met de mededeling van appellanten dat zij beiden vanaf die datum in de woning van appellante aan de [adres] woonachtig zijn.

1.4.

Naar aanleiding van meerdere anonieme meldingen dat appellanten vanaf het begin samenwonen aan de [adres] heeft een sociaal rechercheur van het bureau Handhaving van de afdeling Zorg en Inkomen van de gemeente Nijmegen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek verricht, zijn buurtbewoners van zowel de [adres] als van de door appellant opgegeven woonadressen gehoord en zijn appellanten op 1 mei 2012 aangehouden en verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 juni 2012.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

18 juni 2012 de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1997 tot en met

2

januari 2011 in te trekken, de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 95.711,57 van appellante terug te vorderen en tot een bedrag van € 77.318,23, zijnde de kosten van bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot en met 2 januari 2011, mede van appellant terug te vorderen. Bij besluit van gelijke datum heeft het college voorts de bijstand van appellant over de periode van 23 februari 2001 tot en met 2 januari 2011 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 24.864,33 van appellant en mede van appellante teruggevorderd. Voor zover van toepassing heeft het college daarbij de terugvorderingsbedragen beperkt tot het verschil tussen het bedrag aan bijstand waarop appellanten als gehuwden recht hebben gehad en de aan hen feitelijk verleende bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder respectievelijk alleenstaande. Aan de beide besluiten ligt ten grondslag dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door tot 3 januari 2011 te verzwijgen dat zij niet duurzaam gescheiden hebben geleefd waardoor ten onrechte appellante voor de bijstand als alleenstaande ouder respectievelijk alleenstaande is aangemerkt en appellant als alleenstaande.

1.6.

Bij afzonderlijke besluiten van 12 november 2012 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 18 juni 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de onderzoeksbevindingen een voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van het college dat appellanten in de te beoordelen periodes niet duurzaam gescheiden hebben geleefd. Appellanten hebben naar het oordeel van de rechtbank niet als zelfstandig subject van bijstand recht gehad op bijstand. Het college heeft dan ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid de bijstand van appellanten over die periodes in te trekken en (mede) terug te vorderen.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe hebben zij beiden aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen niet toereikend zijn voor de conclusie dat zij niet duurzaam gescheiden van elkaar hebben geleefd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt wat appellante betreft van 1 juli 1997 tot en met

2 januari 2011 en wat appellant betreft vanaf 23 februari 2001 tot en met 2 januari 2011 (te beoordelen periode). Vaststaat dat appellanten in de te beoordelen periode gehuwd waren.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.2.

Anders dan appellanten betogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de in het rapport van 18 juni 2012 neergelegde onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van het college dat appellanten in de te beoordelen periode niet duurzaam gescheiden leefden. Dit volgt allereerst uit de door de rechtbank onder overweging 10 van de aangevallen uitspraak aangehaalde verklaringen van de buurtbewoners van de woning van appellante aan de [adres] en van de buurtbewoners van de door appellant aan het college opgegeven woonadressen. Deze verklaringen komen in belangrijke mate met elkaar overeen. De onafhankelijk van elkaar afgelegde verklaringen van de buurvrouw van appellante en van een andere buurtbewoner aan de[adres] bestrijken de gehele te beoordelen periode. Uit deze verklaringen is op te maken dat appellanten vaak samen waren, de auto van appellant, waarvan alleen hij gebruik maakte, regelmatig bij appellante in de straat stond, appellanten samen boodschappen uit de auto haalden en dat zij, in eerste instantie met hun kinderen en later met zijn tweeën, in de woning van appellante woonden. Daarbij is van belang dat, anders dan appellanten hebben aangevoerd, de verklaringen concrete feiten bevatten, voldoende gedetailleerd zijn en op relevante punten eenduidig zijn. De buurtbewoners hebben uit eigen kennis en waarneming verklaard. In dit verband is tevens van belang dat geen van de buurtbewoners van de opgegeven woonadressen van appellant kan bevestigen dat appellant op die adressen daadwerkelijk woonachtig is geweest.

4.3.

Tevens komt betekenis toe aan de verklaringen die appellanten in het kader van het onderzoek op 1 mei 2012 tegenover de sociaal rechercheur hebben afgelegd. Uit deze verklaringen is op te maken dat appellante appellant in december 1990 het huis uit heeft gezet. Appellant heeft er vervolgens wel aan meegewerkt dat appellante de woning aan de [adres] kon huren. Volgens de verklaring van appellante bleef appellant hopen dat het tussen hen weer goed zou komen. In de gehele te beoordelen periode kwam appellant vaak bij appellante, toen de kinderen klein waren drie á vier keer per week. In verband met de hartoperatie van appellant in 2005 en het verblijf van appellante in Turkije in 2007 verbleef appellant in die jaren enige tijd in de woning van appellante. Verder is nog van belang dat appellant tijdens het verhoor heeft bevestigd dat hij niet op alle adressen heeft gewoond waarop hij stond ingeschreven. Waar hij dan volgens hem wel woonde, is onduidelijk gebleven. Hier komt bij dat appellante tijdens de zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat appellant haar heeft geholpen toen in maart 2007 hun dochter van huis was weggelopen en dat zij appellant ook wel belde om met haar de boodschappen te doen. Appellant heeft bij die gelegenheid nog verklaard dat hij bij appellante langskwam voor de kinderen maar dat hij het ook weer goed wilde maken met appellante. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, valt uit deze verklaringen geenszins op te maken dat zij zien op de periode vlak voor de hervatting van de samenwoning in januari 2011.

4.4.

De woon- en leefsituatie van appellanten, zoals die uit 4.2 en 4.3 naar voren komt, biedt geen ondersteuning voor de in hoger beroep gehandhaafde stelling van appellante dat sprake is geweest van een bestendige verbreking van de echtelijke samenleving, zoals bedoeld onder 4.1, noch voor de stelling van appellant dat hij overduidelijk een eigen leven heeft geleid alsof hij niet was gehuwd.

4.5.

Gelet op dat wat onder 1.5 over de hoogte van de terugvorderingen is overwogen, behoeft de in hoger beroep aangevoerde grond dat het college bij de terugvordering over de te beoordelen periode rekening had moeten houden met de alsnog toe te passen gezinsnorm, geen bespreking meer. Daarmee is immers rekening gehouden.

4.6.

De hoger beroepen van appellanten slagen niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) D.E.P.M. Bary

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD