Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3000

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
14-3582 BBZ-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorzienig. Bedrijfskrediet onder opschortende voorwaarden. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak geen stand zal kunnen houden. Geen spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3582 BBZ-VV

Datum uitspraak: 9 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal te Beneden-Leeuwen (college)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

8 april 2014, 13/1198 (aangevallen uitspraak). Tevens heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft op 25 augustus 2014 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2014. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Eker.

OVERWEGINGEN

1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker exploiteert sinds 1 januari 2010 een bedrijf, [bedrijf 1]. Deze eenmanszaak heeft als bedrijfsactiviteit het ontwikkelen en produceren van gespecialiseerde producten ten behoeve van de dierhouderij. Verzoeker heeft ten behoeve van de paardenhouderij een machine ontwikkeld, de D-Duster. Deze machine verwijdert fijnstof uit ruwvoer en bodemstrooisel.

1.2.

Op 23 april 2012 heeft verzoeker een aanvraag ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004) ingediend. Bij besluit van 3 juli 2012 heeft het college, nadat daartoe op 3 juli 2012 een advies was uitgebracht door het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK), deze aanvraag afgewezen op de grond dat het bedrijf van verzoeker niet levensvatbaar werd geacht.

1.3.

Bij besluit van 15 oktober 2012 heeft het college, na daartoe op 5 oktober 2012 van Senger bedrijfsmanagement (Sbm) verkregen advies, de aanvraag voor een bedrijfskrediet van minimaal € 100.000,- afgewezen, opnieuw op de grond dat het bedrijf van verzoeker niet levensvatbaar werd geacht.

1.4.

Het college heeft het tegen het besluit van 15 oktober 2012 gerichte bezwaar bij besluit van 5 februari 2013 ongegrond verklaard.

1.5.1.

Verzoeker heeft tegen het besluit van 5 februari 2013 beroep ingesteld. Op verzoek van de rechtbank heeft [naam], werkzaam bij[bv], op

21 mei 2013 als deskundige advies aan de rechtbank uitgebracht over de aanvraag van verzoeker. De deskundige heeft in zijn rapport geadviseerd aan verzoeker in het kader van het Bbz 2004 een geldlening van € 100.000,- te verstrekken, onder strikte hantering van een aantal - in dat advies - nader omschreven voorwaarden.

1.5.2.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 20 augustus 2013 hebben partijen de volgende afspraken gemaakt (waarbij verzoeker is aangeduid als eiser en het college als verweerder):

“Verweerder zal binnen twee weken na ontvangst van het proces-verbaal het primaire besluit en het besluit op bezwaar intrekken en een nieuw primair besluit nemen, houdende toekenning van een bedrijfskrediet op grond van het Bbz 2004, ter hoogte van € 100.000. In dit nieuwe primaire besluit zullen de volgende voorwaarden worden opgenomen. De looptijd van de BBZ-lening is 84 maanden op basis van een rente van 8%. Voor de verstrekking van de lening dient eiser door middel van een accountantsverklaring aan te tonen dat er van privéschulden en/of enige aansprakelijkheden uit voormalige bedrijfsactiviteiten geen sprake is.

Eiser dient jaarlijks binnen 5 maanden na afloop van het boekjaar de jaarstukken aan te leveren aan verweerder. Elk kwartaal moeten door een accountant gecontroleerde kwartaalcijfers worden aangeleverd.

Voor verplichtingen groter dan € 10.000,- op jaarbasis dient eiser een verklaring te overleggen van een accountant waaruit blijkt dat het aangaan van deze verplichting noodzakelijk is gelet op de instandhouding en/of mogelijke expansie van het bedrijf. Dit geldt ook voor het aannemen van personeel. Eiser dient de definitieve jaarcijfers 2012 aan verweerder aan te leveren. Eiser dient de vooruit te betalen kosten te onderbouwen en stukken hiervan te overleggen. Er wordt een pandrecht gevestigd ten behoeve van verweerder op de algemene activa en debiteuren van eiser. Eiser zal uiterlijk 15 september 2013 de accountantsverklaring aanleveren alsmede de jaarcijfers 2012 en de onderbouwing van de vooruit te betalen kosten.

Eiser zal binnen een week na ontvangst van het nieuwe primaire besluit zijn bezwaar en beroep intrekken.”

1.6.

Bij besluit van 17 september 2013 heeft het college, onder intrekking van de besluiten van 3 juli 2012, 15 oktober 2012 en 5 februari 2013, een nieuw besluit genomen. Daarbij heeft het college, onder verwijzing naar het proces-verbaal van de zitting van 20 augustus 2013, aan verzoeker een bedrijfskapitaal in de vorm van een geldlening toegekend tot een bedrag van € 100.000,-, onder een aantal ontbindende (lees: opschortende) voorwaarden.

1.7.

Verzoeker heeft het beroep tegen het besluit van 5 februari 2013 niet ingetrokken. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 september 2013. Bij besluit van

17 december 2013 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 september 2013 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, gericht tegen het besluit van

5 februari 2013, niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 17 december 2013 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het beroep tegen het besluit van

17 september 2013 ongegrond verklaard.

2.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen partijen niet meer in geschil is dat verzoeker een levensvatbaar bedrijf heeft, zodat aan de voorwaarden als gesteld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbz 2004 is voldaan. Vervolgens heeft de rechtbank de door verzoeker tegen de in het besluit van 17 september 2013 aangevoerde gronden beoordeeld en geoordeeld dat deze gronden niet slagen.

2.2.1.

Kort samengevat heeft de rechtbank daartoe allereerst overwogen dat het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in de artikelen 39 en 41 van het Bbz 2004.

2.2.2.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de door haar ingeschakelde deskundige kan worden gevolgd met betrekking tot de omzetprognose en de voorgestelde aan de geldlening te verbinden voorwaarden.

2.2.3.

De rechtbank heeft verzoeker niet gevolgd in zijn betoog dat hij niet kan voldoen aan de voorwaarde dat verzoeker voor de verstrekking van de lening door middel van een accountantsverklaring dient aan te tonen dat geen sprake is van privéschulden en/of enige aansprakelijkheden uit voormalige bedrijfsactiviteiten omdat de daarvoor benodigde stukken zijn gestolen, volgens de accountant een accountantsverklaring sowieso niet mogelijk is bij een eenmanszaak en het opstellen van een dergelijke verklaring ook veel geld kost. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij voor eiser verzoeker gelezen moet worden:

“(…) Daarbij acht de rechtbank van belang dat ter zitting van de rechtbank duidelijke afspraken met eiser zijn gemaakt, waarbij de rechtbank niet is gebleken dat eiser onmogelijk aan de voorwaarden kon voldoen. In het rapport van 21 mei 2013 van de deskundige, waarin over deze voorwaarde is geadviseerd, is aangegeven dat eiser van 2006 tot 2009 een bedrijf heeft geëxploiteerd onder de naam [bedrijf 2], waarin werd gehandeld in paardensolariums. Als gevolg van marktverzadiging is het bedrijf geliquideerd dan wel opgeheven. Ondanks uitdrukkelijk verzoek bleken geen financiële gegevens uit het verleden beschikbaar, hetgeen eiser toe te rekenen valt, daar een onderzoek naar mogelijke aanspraken uit het verleden hierdoor niet tot de mogelijkheden behoort. Dat eisers boekhouding gestolen is acht de rechtbank een bijzonder pijnlijk voorval. Desondanks acht de rechtbank van belang te benadrukken, dat gelet op het bepaalde in de artikelen 38, tweede lid en artikel 39, derde lid, van het Bbz 2004, het eisers verantwoordelijkheid is om aan te tonen dat er geen aansprakelijkheden meer speelden in eisers vorige bedrijf bij de start van zijn huidige bedrijf. Eiser is daarin niet geslaagd. Eisers stelling dat er geen schulden, vorderingen of aansprakelijkheden uit zijn vorige bedrijf zijn, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Dat het daarnaast niet wettelijk verplicht is een accountantsverklaring (bij een financieel jaarverslag) van een eenmanszaak op te stellen, brengt nog niet mee dat deze voorwaarde door verweerder, in het kader van de kredietverstrekking op grond van het Bbz 2004, niet kan worden gesteld. De door eiser gestelde hoge kosten van een accountantsverklaring acht de rechtbank ten slotte niet onoverkomelijk.”

2.2.4.

Ten slotte heeft de rechtbank verzoeker ook niet gevolgd in zijn betoog strekkend tot opheffing van de voorwaarde met betrekking tot de vestiging van een pandrecht van het college op de algemene activa en debiteuren van verzoeker.

3.

Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoeker bij wijze van voorschot bijstand op grond van het Bbz 2004 wordt toegekend ter voorziening in de kosten van levensonderhoud totdat op het hoger beroep is beslist.

Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij de huur van zijn woning/bedrijfspand niet kan betalen en de kosten om zijn bedrijf in stand te houden niet langer kan opbrengen.

4.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening als in dit geval gevraagd, moet worden bezien of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Daarbij komt ook in beeld de vraag of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die procedure.

4.3.

De voorzieningenrechter zal eerst bezien of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven.

4.4.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat tussen partijen niet langer in geschil is dat het bedrijf van verzoeker levensvatbaar is, zodat aan de voorwaarde gesteld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbz 2004 is voldaan. Bij besluit van

17 september 2013 heeft het college aan verzoeker een bedrijfskapitaal verstrekt in de vorm van een rentedragende lening tot een bedrag van € 100.000,-, onder een aantal opschortende voorwaarden, genoemd in het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 20 augustus 2013. Vervolgens heeft verzoeker aangevoerd dat hij aan een drietal voorwaarden niet kan of wil voldoen. Volgens verzoeker is het niet haalbaar door middel van een accountantsverklaring aan te tonen dat van privéschulden en/of enige aansprakelijkheden uit voormalige bedrijfsactiviteiten geen sprake is. De betreffende gegevens zijn in 2011 van hem gestolen dan wel verduisterd. Ook de voorwaarde dat verzoeker jaarlijks binnen 5 maanden na afloop van het boekjaar de jaarstukken dient aan te leveren aan het college is volgens verzoeker onhaalbaar vanwege de hoge kosten. Ten slotte heeft verzoeker aangevoerd dat de vestiging van het pandrecht ten behoeve van het college op de algemene activa en debiteuren van verzoeker “dubbel” is, nu sprake is van een geldlening.

4.5.

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 20 augustus 2013 hebben partijen afspraken gemaakt over de aan de toekenning van het bedrijfskrediet te verbinden opschortende voorwaarden. Het college heeft deze afspraken neergelegd in het besluit van

17 september 2013. In wat verzoeker daaromtrent heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verzoeker niet aan deze afspraken kan worden gehouden. Het gaat om toekenning van een bedrijfskrediet in de vorm van een geldlening tot een bedrag van € 100.000,-, waaraan het college op grond van artikel 39, derde lid, van het Bbz 2004 verplichtingen kan verbinden die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen. In zoverre zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak geen stand zal kunnen houden.

4.6.

Zoals ter zitting besproken, leent de beantwoording van de vraag of de door verzoeker gewraakte voorwaarden in weerwil van de daarover blijkens het proces-verbaal opgenomen afspraken toch zouden dienen te vervallen, zich niet goed voor een beoordeling in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure. In dit verband is van belang dat verzoeker een dag voor de zitting een aanzienlijke hoeveelheid stukken heeft ingediend, waarop het college nog niet heeft kunnen reageren. Het college heeft ter zitting toegezegd uiterlijk in oktober een nader verweerschrift in te dienen. Mede met het oog daarop is ter zitting aan partijen voorgesteld het hoger beroep versneld voor te leggen aan een meervoudige kamer van de Raad. Naar het zich laat aanzien zal de mondelinge behandeling van het hoger beroep

in januari 2015 plaatsvinden.

4.7.

In wat door verzoeker is aangevoerd is onvoldoende grond aanwezig voor het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening vordert. Verzoeker is alleenstaand en ontvangt maandelijks een uitkering op grond van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 527,54, daarnaast een zorgtoeslag van € 41,- en een huurtoeslag van € 284,-. Hij betaalt geen huur. Op grond van door de voorzieningenrechter van de rechtbank getroffen ordemaatregelen heeft het college aan verzoeker gedurende de periode van 28 maart 2103 tot en met 8 april 2014 voorschotten op grond van het Bbz 2004 toegekend naar de norm voor een alleenstaande, verminderd met de maandelijkse arbeidsongeschiktheidsuitkering. Niet is gebleken van een financiële noodsituatie. Ter zitting heeft verzoeker gesteld dat kosten van het bedrijf hoger zijn dan de ontvangen voorschotten en dat hij een huurschuld van twee jaar heeft. Nu verzoeker ter zitting tevens heeft verklaard dat hij een alternatief woningaanbod van de verhuurder heeft gekregen, is van een dreigende dakloosheid is geen sprake, zodat ook daarin geen voor verzoeker zo zwaarwegend belang is gelegen dat de behandeling van de bodemprocedure in januari 2015 niet kan worden afgewacht. Tot slot heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ander spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening vordert.

4.8.

Uit het voorgaande vloeit voort dat geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorzienig af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) A.C. Oomkens

RB