Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2999

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2014
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
13-5967 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Overschrijding redelijke termijn in de rechterlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2014/325
O&A 2014/92

Uitspraak

13/5967 BESLU, 13/5969 BESLU, 13/5971 BESLU

Datum uitspraak: 11 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 22 november 2012, 09/205, 10/59 en 09/1076, in de gedingen tussen betrokkene en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Bij uitspraak van 2 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2574, heeft de Raad op dit hoger beroep beslist. Daarbij heeft de Raad onder andere bepaald dat het onderzoek onder de op het voorblad van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, bij brief van 11 februari 2014 een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Betrokkene heeft daarop niet gereageerd.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 31 juli 2014. Partijen zijn, de Staat met bericht en betrokkene zonder bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

In zijn uitspraak van 2 december 2013 heeft de Raad vastgesteld dat in de zaken 09/205, 10/59 en 09/1076 de behandeling langer heeft geduurd dan de redelijke termijn - bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) - en dat het vermoeden bestaat dat deze termijn in de rechterlijke fase is overschreden.

2.

Namens de Staat is erkend dat de redelijke termijn, in de rechterlijke fase is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Hierover is het volgende naar voren gebracht. In de procedure 09/205 heeft de totale duur van de procedure vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de uitspraak van de Raad van 2 december 2013 vijf jaar en vier maanden geduurd. De behandeling van het bezwaarschrift heeft minder dan zes maanden in beslag genomen. De overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase bedraagt een jaar een vier maanden. In de zaak 10/59 heeft de procedure vanaf de ontvangst van het beroepschrift tot de uitspraak van de Raad in totaal drie jaar en ruim elf maanden geduurd. Het bezwaarschrift is (met toestemming van de minister) als beroepschrift opgevat. De redelijke termijn is dus door de rechter overschreden met vijf maanden. In de zaak 09/1076 heeft de procedure vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de uitspraak van de Raad vier jaar en acht maanden geduurd. De behandeling van het bezwaarschrift door de minister heeft minder dan zes maanden in beslag genomen. De termijn is daarbij door de rechter overschreden met acht maanden. De Staat heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de termijn in de zaak 10/59 en 09/1076 niet tot een hogere schadevergoeding dient te leiden.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

3.2.

De Staat heeft met juistheid naar voren gebracht dat de termijn in de zaak 09/205 is overschreden met een jaar een vier maanden. De Raad ziet geen aanleiding een langere behandelingsduur dan vier jaar gerechtvaardigd te achten. Dit leidt bij een vergoeding van

€ 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, tot een schadevergoeding van € 1.500,-.

3.3.

De Raad volgt de Staat in het standpunt dat de overschrijding van de termijn in de zaak 10/59 en 09/1076 niet tot een hogere schadevergoeding dient te leiden. De procedures in alle drie de zaken hadden hoofdzakelijk betrekking op dezelfde kwestie, namelijk het arbeidsgeschil en het daaruit voortvloeiende ontslag van betrokkene. Het ging om een samenstel van besluiten die hebben geleid tot grotendeels parallel lopende procedures. Van extra spanning en frustratie was dan ook geen sprake.

4.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat der Nederlanden (het ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en C.H. Bangma en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) T.A. Meijering

HD