Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2997

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
13-1929 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingen verplichting. Verzwegen werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1929 WWB, 13/1930 WWB, 13/2621 WWB, 13/2622 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 maart 2013, 12/10085 en 12/11269 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L. van den Buijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2014. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H. Bogaards.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 4 december 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een fraudemelding op 14 december 2011 van de regiopolitie Haaglanden dat appellant werkzaamheden verricht in de supermarktwinkel[winkel] op het adres [adres](hierna: winkel) heeft het college een onderzoek laten instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is administratief onderzoek gedaan, zijn waarnemingen verricht en hebben appellanten respectievelijk op 3 en 5 april 2012 in een zogeheten confrontatiegesprek verklaringen afgelegd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 5 april 2012.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 19 april 2012 (besluit 1) de bijstand van appellanten met ingang van 1 april 2012 ingetrokken en voorts bij besluit van 19 juli 2012 (besluit 2) de bijstand met ingang van 4 december 2011 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van 4 december 2011 tot en met 31 maart 2012 tot een bedrag van € 4.611,34 van hen teruggevorderd. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat appellant werkzaamheden heeft verricht in en rond de winkel, dat daarvan geen melding is gemaakt bij het college, dat de precieze omvang van de werkzaamheden onduidelijk is gebleven en dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.4.

Bij besluit van 24 september 2012 (bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Bij besluit van 29 oktober 2012 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen besluit 2 eveneens ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De in dit geding te beoordelen periode loopt van 4 december 2011 tot en met 19 april 2012.

4.2.

Uit de stukken blijkt dat appellanten op 13 december 2011 bij een controle in het kader van de handhaving bijzondere wetten en milieu door de regiopolitie Haaglanden werkend in de winkel zijn aangetroffen. In de periode van 18 februari 2012 tot en met 2 april 2012 is bij zeven van de negen verrichte observaties waargenomen dat appellant in de winkel aanwezig was en vier maal daarvan dat hij werkzaamheden verrichtte. Daarnaast heeft appellant op

3 april 2012 een door hem ondertekende verklaring afgelegd dat hij helpt in de winkel van zijn dochter, die vanaf eind oktober 2011 tot medio april 2012 in Turkije bij haar echtgenoot verblijft. Hij zorgt ervoor dat de winkel tijdens de afwezigheid van zijn dochter openblijft, hij heeft een eigen sleutel van de winkel, hij opent en sluit deze af en helpt er klanten. Hij werkt zo’n vijf dagen per week in de winkel. Er zijn geen vaste openingstijden. Iedereen van de familie zou een paar uurtjes helpen. Hij zelf begint meestal om 11.00 uur of 12.00 uur en stopt om 19.00 uur of 20.00 uur. Appellante heeft verklaard dat appellant zo’n drie à vier maanden dagelijks in de winkel staat, daar drie tot vier uur per dag helpt en bestellingen doet als hun dochter er niet is. Uit dit samenstel van feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat appellant in de te beoordelen periode wegens langdurige afwezigheid van zijn dochter als zaakwaarnemer heeft gefungeerd en wel op een wijze dat de reguliere bedrijfsactiviteiten normaal doorgang konden vinden. Zo zijn de contacten en bestellingen bij leveranciers via appellant gelopen en is de winkel gewoon open gebleven voor klanten. Het oordeel van de rechtbank dat een toereikende grondslag aanwezig is voor het standpunt van het college dat appellant ten tijde in geding op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in de winkel van zijn dochter wordt dan ook onderschreven.

4.3.

Appellanten hebben allereerst gesteld dat de intrekking van de bijstand tot 18 februari 2012 enkel berust op verklaringen van appellanten en dus onvoldoende is om daarop de intrekking van de bijstand te baseren. Deze stelling is - wat daarvan verder ook zij - reeds gelet op wat in 4.2 is overwogen feitelijk onjuist.

4.4.

De beroepsgrond dat de verklaring van appellante buiten beschouwing moet worden gelaten omdat zij de Nederlandse taal niet machtig is treft geen doel. Uit het door appellante ondertekende gespreksverslag van 5 april 2012 blijkt immers dat appellante desgevraagd te kennen heeft gegeven dat zij geen behoefte had aan een tolk, juist omdat appellant - die bij dat gesprek aanwezig was - zo nodig voor een vertaling zou zorgen. Niet valt in te zien dat zij niet aan de door haar afgelegde verklaring kan worden gehouden, te minder nu niet aannemelijk is dat appellant ten nadele van appellante zou hebben vertaald. Ook overigens ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat in het verslag geen juiste weergave is opgenomen van wat appellante op 5 april 2012 heeft verklaard.

4.5.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat het college eerst nader onderzoek had moeten doen alvorens tot intrekking en terugvordering te besluiten. Appellanten kunnen in deze opvatting niet worden gevolgd. Nu zij geen melding hebben gemaakt van de verrichte werkzaamheden staat daarmee vast dat zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hen rustende inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen. Deze schending van de inlichtingenverplichting, en de daarmee samenhangende bewijslastverdeling, brengt mee dat het aan appellanten is om te stellen en aannemelijk te maken dat zij, indien zij de inlichtingenverplichting wel zouden zijn nagekomen, nog (aanvullend) recht op bijstand zouden hebben gehad.

4.6.

De beroepsgrond dat het college ondanks het ontbreken van een urenregistratie, door de verklaringen van appellanten tot uitgangspunt te nemen, ook zelf tot een waarheidsgetrouwe reconstructie van het aantal gewerkte uren (en daaraan toe te rekenen fictieve inkomsten) had kunnen komen, treft evenmin doel. Opgemerkt zij dat de verklaringen van appellanten, mede bezien in samenhang met de gedane observaties, enerzijds weliswaar voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant ten tijde in geding in betekenende mate op geld waardeerbare arbeid heeft verricht, maar anderzijds laten deze de nodige ruimte voor wat betreft de precieze vaststelling van het aantal gewerkte uren. In dit verband is van belang dat de verklaringen van appellant en appellante voor wat betreft de tijdstippen en de uren die werden gewerkt nogal uiteenlopen. Daarnaast is van betekenis dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 8 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8305) de aanwezigheid van een betrokkene op een werkplek tijdens reguliere openingsuren van een bedrijf de vooronderstelling rechtvaardigt dat deze daar ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Voor zover appellanten hebben bedoeld aan te geven dat appellant naast de geconstateerde werkzaamheden op andere tijdstippen slechts aanwezig was in de winkel, zijn zij, in het licht van wat zij overigens hebben verklaard over het openhouden van de winkel ten behoeve van hun dochter tijdens haar langdurige afwezigheid, in het bewijs van het tegendeel niet geslaagd. In het voorgaande ligt tevens besloten dat evenmin grond bestaat om schattenderwijs tot vaststelling van het aantal per week gewerkte uren te komen en daarmee

- via toerekening van fictieve inkomsten - tot berekening van een eventueel aanvullend recht op bijstand. Daarvoor is immers vereist dat in voldoende mate zekerheid bestaat omtrent de aard, omvang en duur van de verrichte werkzaamheden en daarvan is hier geen sprake.

4.7.

Appellanten hebben tot slot aangevoerd dat uit een op 2 april 2012 gedateerde brief zou zijn af te leiden dat de winkel op 2 april 2012 is gesloten. Los van het feit dat het college heeft ontkend deze brief te hebben ontvangen, kunnen appellanten ook hierin niet worden gevolgd. Nog daargelaten dat appellant bij observaties juist - ook - op 2 april 2012 werkend in de winkel is aangetroffen, kan uit de bewoordingen van deze brief geenszins worden afgeleid dat de winkel op 2 april 2012 is gesloten en daarna ook gesloten is gebleven.

4.8.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.7 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) A.C. Oomkens

HD