Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2995

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2014
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
12-5494 WSW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een WSW-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft terecht overwogen dat appellante weliswaar beperkingen heeft bij het verrichten van arbeid, maar niet in die mate dat zij uitsluitend is aangewezen op WSW-arbeid. Niet is onderbouwd waarom de rapportages onzorgvuldig of onjuist zouden zijn, noch zijn door appellante gegevens ingebracht die een ander licht werpen op haar lichamelijke beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5494 WSW

Datum uitspraak: 11 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

18 september 2012, 12/4793 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend, waarop het Uwv een reactie heeft gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2014. Namens appellante is verschenen mr. De Witte. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante kampt met lichamelijke klachten. Met een formulier, dat op 27 september 2011 is ontvangen door het WERKbedrijf Den Haag Zuidwest, heeft appellante een aanvraag gedaan voor een indicatie op grond van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW).

1.2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een arts medisch onderzoek verricht naar de fysieke beperkingen van appellante en hierover op 21 november 2011 een rapport uitgebracht. Daarnaast heeft een arbeidskundige van het WERKbedrijf onderzoek verricht naar de beperkingen van appellante om arbeid te verrichten en hierover op 19 december 2011 gerapporteerd. Bij besluit van 23 december 2011 heeft het Uwv de aanvraag van appellante afgewezen.

1.3. Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft een arts een nieuw medisch onderzoek verricht en hierover op 1 mei 2012 een rapport uitgebracht. Ook een arbeidskundige van het WERKbedrijf heeft de beperkingen van appellante om arbeid te verrichten opnieuw onderzocht en hierover op 16 mei 2012 gerapporteerd. Bij besluit van 25 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 23 december 2011 gehandhaafd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante niet tot de doelgroep van de WSW behoort. Appellante is in staat om, ondanks de bij haar objectief vastgestelde beperkingen en daartoe noodzakelijk geachte aanpassingen, binnen redelijke grenzen buiten de WSW te kunnen werken.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft gemotiveerd hoger beroep ingesteld en daarbij medische informatie van de huisarts overgelegd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De verzekeringsarts van het Uwv heeft een reactie gegeven op de in hoger beroep overgelegde medische informatie van de huisarts en daarbij geconcludeerd dat er voldoende rekening is gehouden met de relevante klachten en relevante arbeidsbeperkingen.

4.2.

Gelet op deze reactie van de verzekeringsarts en de medische en arbeidskundige rapportages zoals die in de periode november 2011 tot en met mei 2012 zijn opgesteld, komt de Raad met de rechtbank tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft overwogen dat appellante weliswaar beperkingen heeft bij het verrichten van arbeid, maar niet in die mate dat zij uitsluitend is aangewezen op WSW-arbeid. Niet is onderbouwd waarom de rapportages onzorgvuldig of onjuist zouden zijn, noch zijn door appellante gegevens ingebracht die een ander licht werpen op haar lichamelijke beperkingen.

4.3.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en C.H. Bangma en

C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) T.A. Meijering

HD