Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2994

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
16-09-2014
Zaaknummer
12-1100 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum WIA-uitkering. Aanvraagdatum. Nu appellant naar aanleiding van de brief van het Uwv van 25 oktober 2010, waarin was vermeld dat hij voor 21 november 2010 een WIA-uitkering kon aanvragen, een (nagenoeg compleet) re-integratieverslag heeft opgestuurd, blijkt hieruit voldoende duidelijk dat appellant beoogde een WIA-uitkering aan te vragen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 4:4
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 23
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 64
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 65
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/322
ABKort 2014/334
RSV 2014/243
AB 2015/7

Uitspraak

12/1100 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

10 januari 2012, 11/1290 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.A. van Dijk, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij (DAS), hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. I.T.A. Duijs, eveneens werkzaam bij DAS, heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde van appellant en nadere gronden ingediend.

Het Uwv heeft een schriftelijke reactie gegeven op de nadere gronden.

Vervolgens heeft mr. P.W.G.J. de Haas, ook werkzaam bij DAS, zich gesteld als nieuwe gemachtigde van appellant.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2014. Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.I. Damsma.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Het Uwv heeft desgevraagd door de Raad bij brief van 11 maart 2014 zijn standpunt nader uiteengezet.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 23 februari 2009 uitgevallen voor zijn werk als medewerker bij

[naam bedrijf] (werkgever) ten gevolge van een hersenbloeding.

1.2. Appellant heeft op 1 juni 2010, onder toepassing van een verkorte wachttijd een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 20 juli 2010 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen.

1.3. Bij brief van 25 oktober 2010 heeft het Uwv aan appellant bericht dat hij bijna twee jaar ziek is en in verband daarmee voor 21 november 2010 een WIA-uitkering kan aanvragen.

1.4. Namens appellant zijn op 22 november 2010 in het kader van zijn WIA-aanvraag een aantal documenten ingestuurd, die op 29 november 2010 door het Uwv zijn ontvangen.

1.5. In reactie op de op 29 november ontvangen documenten heeft het Uwv bij brief van

13 december 2010 aan appellant meegedeeld dat het ontvangen re-integratieverslag nog niet compleet was omdat het formulier Oordeel van de werknemer ontbrak en dat ook de aanvraag voor een WIA-uitkering nog niet was ontvangen.

1.6. Op 30 december 2010 is door de werkgever en door de echtgenote van appellant telefonisch navraag gedaan bij het Uwv over de status van de WIA-aanvraag. Naar aanleiding van dit gesprek heeft appellant op 2 januari 2011 het ingevulde formulier Oordeel van de werknemer, met daarop de vermelding: ‘alles is al opgestuurd alleen dit formulier moest er nog bij’ naar het Uwv gezonden. Dit formulier is op 4 januari 2011 door het Uwv ontvangen.

1.7. Op 12 januari 2011 is door de echtgenote van appellant wederom telefonisch navraag gedaan bij het Uwv of de aanvullende stukken met betrekking tot de WIA-aanvraag inmiddels ontvangen waren. Naar aanleiding van dit gesprek heeft appellant op 14 januari 2011 het formulier Aanvraag WIA-uitkering verzonden. Dit formulier is op 18 januari 2011 door het Uwv ontvangen.

1.8. Bij besluit van 21 januari 2011 heeft het Uwv aan de werkgever meegedeeld dat de aanvraag WIA-uitkering 57 dagen te laat is ingediend en dat de WIA-uitkering daardoor pas kan ingaan op 19 april 2011. De periode van 104 weken waarover de werkgever het loon tijdens ziekte moet doorbetalen wordt dientengevolge verlengd met 57 dagen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar ingediend. Bij besluit van 14 maart 2011 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 19 april 2011 een IVA-uitkering toegekend.

1.9. Bij besluit van 17 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 januari 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe als eerste geoordeeld dat appellant belanghebbende is bij het besluit van 21 januari 2011 omdat hij op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 43, aanhef en onder b, van de Wet WIA, geen recht heeft op een WIA-uitkering, zolang het tijdvak waarin recht bestaat op loon op grond van artikel 629, elfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek nog niet is geëindigd. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat het aanvraagformulier, waarvan appellant heeft gesteld dat het op 22 november 2010 aan het Uwv is toegezonden, zich niet in het dossier bevindt. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat het Uwv voor 18 januari 2011 een WIA-aanvraag heeft ontvangen, behalve een aanvraag verkorte wachttijd die in het kader van dit beroep niet van belang is. Appellants betoog dat hij de brief van 13 december 2010 niet heeft ontvangen en dat tijdens het telefoongesprek op 30 december 2010 niet is gezegd dat geen WIA-aanvraag was ingediend, doen er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat de aanvraag te laat is ingediend. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv het tijdvak van 104 weken terecht met 57 dagen heeft verlengd.

3.

Appellant heeft (samengevat) in hoger beroep gesteld dat hij de WIA-aanvraag wel degelijk tijdig heeft ingediend bij het Uwv en dat er kennelijk bij het Uwv iets misgegaan is met de stukken. Bij het telefonisch contact op 30 december 2010 is aan de echtgenote van appellant enkel kenbaar gemaakt dat het formulier Oordeel van werknemer ontbrak, zodat logischerwijs ook enkel dat formulier in januari 2011 aan het Uwv is gezonden. Uit de zich in de gedingstukken bevindende registratie door het KlantenContactCentrum (KCC) van het telefoongesprek van 30 december 2010 blijkt evenmin dat aan appellant kenbaar is gemaakt dat de WIA-aanvraag ontbrak. Hier komt bij dat appellant de brief van 13 december 2010 van het Uwv nooit heeft ontvangen.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag op welke datum door appellant een aanvraag voor een WIA-uitkering is ingediend.

4.2.

Artikel 64, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt dat het Uwv op aanvraag vaststelt of recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA bestaat. Ingevolge artikel 64, derde lid, van de Wet WIA doet de verzekerde zijn aanvraag uiterlijk dertien weken voor afloop van de wachttijd. Op grond van het bepaalde in artikel 65 van de Wet WIA gaat de aanvraag voor een uitkering vergezeld van een re-integratieverslag als bedoeld in artikel 25, derde lid.

4.3.

Artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat onder aanvraag wordt verstaan een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Ingevolge artikel 4:4 van de Awb kan het bestuursorgaan, dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, voor het indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.

4.4.

Vastgesteld wordt dat in het voorliggende geding de aanvraag verkorte wachttijd/arbeidsongeschiktheidsuitkering van 1 juni 2010 niet tevens kan worden gezien als aanvraag om uitkering na de volledige wachttijd van 104 weken, zoals bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA, bestaat de mogelijkheid een verkorte wachttijd te hanteren bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Artikel 66 van de Wet WIA bepaalt dat een aanvraag om verkorte wachttijd, als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA, tevens geldt als aanvraag om uitkering als bedoeld in artikel 64 van die wet. De Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 30 034, nr. 3, pagina 59) vermeldt over deze zogenoemde flexibele keuringen dat in het geval de aanvraag voor een verkorte wachttijd/arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt afgewezen, vervolgens, nadat de volledige wachttijd van 104 weken is volbracht, een nieuwe aanvraag kan worden ingediend. Derhalve dient de bepaling van artikel 66 van de Wet WIA aldus te worden begrepen, dat de aanvraag voor een kortere wachttijd (alleen) in dat kader tevens geldt als aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, zodat voorkomen wordt dat een verzekerde twee aanvragen moet doen, namelijk een voor de kortere wachttijd en een voor het recht op uitkering.

4.5.

Niet is aangetoond dat met de op 22 november 2010 verstuurde documenten ook een aanvraagformulier Wet WIA is ingestuurd door appellant. Dit brengt echter niet mee dat om die reden niet van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb kan worden gesproken. Daarbij is van belang dat het gebruik van een aanvraagformulier geen vereiste is op grond van de Awb en de Wet WIA. Nu appellant naar aanleiding van de brief van het Uwv van 25 oktober 2010, waarin was vermeld dat hij voor 21 november 2010 een WIA-uitkering kon aanvragen, een (nagenoeg compleet) re-integratieverslag heeft opgestuurd, blijkt hieruit voldoende duidelijk dat appellant beoogde een WIA-uitkering aan te vragen. De op

22 november 2010 door appellant verzonden documenten zijn door het Uwv ontvangen op

29 november 2010, deze laatste datum dient dan te gelden als de datum waarop door appellant een aanvraag voor een WIA-uitkering is ingediend. Daaraan kan niet afdoen dat de aanvraag op dat moment nog niet volledig was. Een niet op de juiste wijze ingediende of niet volledige aanvraag, kan worden afgehandeld op de wijze die in artikel 4:5 van de Awb is voorzien, hetgeen van invloed kan zijn op de termijn waarop beslist kan worden op de aanvraag, maar niet op de ingangsdatum van de toe te kennen uitkering.

4.6.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat door het Uwv niet is aangetoond dat appellant na 29 november 2010 nog in verzuim was en dat de aanvraag niet 57 dagen, maar acht dagen te laat is ingediend en hij derhalve per 1 maart 2011 aanspraak heeft op een IVA-uitkering. Nu het Uwv met zijn besluit van 14 maart 2011 reeds aan appellant een IVA-uitkering heeft toegekend, waarvan alleen de ingangsdatum gewijzigd dient te worden, zal De Raad zelf in de zaak voorzien.

4.7.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

5.

Er bestaat aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep van in totaal € 974,-, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het besluit van 21 januari 2011, dat de wachttijd wordt verlengd met 57 dagen in plaats van met acht dagen, is gehandhaafd;

  • -

    herroept het besluit van 21 januari 2011 voor zover daarin is vastgesteld dat appellant niet eerder dan met ingang van 19 april 2011 een WIA-uitkering kan krijgen en bepaalt die datum op 1 maart 2011;

  • -

    herroept het besluit van 14 maart 2011 voor zover daarin is vastgesteld dat appellant vanaf 19 april 2011 een IVA-uitkering krijgt en bepaalt die datum op 1 maart 2011;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en

D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M.P. Ketting

HD