Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2993

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2014
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
10-2417 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering WIA-Uitkering toe te kennen. Zoals blijkt uit, onder meer, de uitspraken van de Raad van 24 oktober 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0958) en 16 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH0291) laat de omstandigheid dat een verzekerde is toegelaten tot de doelgroep van de WSW onverlet dat de verzekerde in het kader van de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in staat wordt geacht voor hem geschikte werkzaamheden in het vrije bedrijfsleven te verrichten. De Raad ziet geen reden om ten aanzien van een schatting op grond van de Wet WIA tot een ander oordeel te komen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de voor betrokkene geselecteerde functies op de enkele grond dat deze moeten worden aangemerkt als arbeid in het vrije bedrijf, niet aan de schatting van de resterende verdiencapaciteit van betrokkene ten grondslag hadden mogen worden gelegd. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2417 WIA-T

Datum uitspraak: 5 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 april 2010, 09/1077 (hierna: aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. I.D. Mak, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 april 2011 heeft K. Abel, werkzaam bij Juricon adviesgroep b.v. zich als gemachtigde van betrokkene gesteld. In het vervolg van de procedure is betrokkene vertegenwoordigd door J.R. Beukema, werkzaam bij genoemde adviesgroep.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Appellant heeft een aantal vraagstellingen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door J.R. Beukema.

Na heropening van het onderzoek heeft dr. A.J.W.M. Trompenaars, psychiater, de Raad van verslag en advies gediend.

Partijen hebben op het rapport van Trompenaars gereageerd.

Desgevraagd door de Raad heeft Trompenaars een nader rapport ingediend, waarop appellant een reactie heeft ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2014. Appellant is na voorafgaand bericht niet verschenen. Namens betrokkene is J.R. Beukema verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is sinds 1995 als technisch vakman werkzaam in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Op 13 november 2006 heeft hij zich ziek gemeld in verband met griep. Op 6 januari 2007 heeft betrokkene een auto-ongeval gehad, waarna hij whiplashklachten heeft ontwikkeld. Naar aanleiding van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts van het Uwv betrokkene op 15 september 2008 onderzocht en bij betrokkene rug- en nekklachten en cognitieve beperkingen bij drukte vastgesteld. Voor een urenbeperking heeft de verzekeringsarts geen aanleiding gezien. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van betrokkene vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 september 2008. Arbeidskundig onderzoek heeft vervolgens uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van 10 november 2008 2,02% is. Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft appellant vastgesteld dat betrokkene met ingang van

10 november 2008 geen recht heeft op een WIA-uitkering.

1.2. Naar aanleiding van het door betrokkene tegen het besluit van 10 november 2008 gemaakte bezwaar heeft een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv betrokkene op

3 februari 2009 onderzocht en de resultaten van dit onderzoek vastgelegd in een FML van

10 februari 2009, waarin de FML van 15 september 2008 op een aantal punten is aangescherpt. Ook de bezwaarverzekeringsarts heeft geen reden voor het aannemen van een urenbeperking gezien. Op grond van de FML van 10 februari 2009 heeft een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van 10 november 2010 vastgesteld op 14,43%. Hierop heeft appellant het bezwaar van betrokkene bij besluit van 27 februari 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de loondienstfuncties die betrokkene volgens appellant kan verrichten moeten worden aangemerkt als arbeid in het vrije bedrijf en dat deze niet beantwoorden aan de krachten en bekwaamheden van betrokkene, aangezien hij tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) behoort. Het besluit berust volgens de rechtbank dan ook op een ondeugdelijke grondslag.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank in strijd is met eerdere rechtspraak van de Raad, die inhoudt dat de enkele omstandigheid dat een verzekerde is toegelaten tot de doelgroep van de WSW onverlet laat dat betrokkene in het kader van de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidswetgeving in staat kan worden geacht voor hem geschikte werkzaamheden in het vrije bedrijfsleven te verrichten.

3.2.

Betrokkene heeft onder andere aangevoerd dat appellant zijn beperkingen heeft onderschat en dat de geselecteerde functies niet passend voor hem zijn. Betrokkene heeft zich onder meer beroepen op een rapport van psychiater R.J.H. Winter van 9 oktober 2012. Winter is op basis van zijn onderzoek tot de conclusie gekomen dat er voldoende aanwijzingen zijn om bij betrokkene al vrij snel in het beloop na het auto-ongeval te kunnen spreken van een depressieve stoornis in engere zin. Ten onrechte is al die tijd een psychiatrische expertise achterwege gebleven. Volgens Winter heeft appellant cognitieve klachten die ten nauwste samenhangen met de depressieve stoornis, waarvan op de datum in geding sprake was. Er zijn veel meer beperkingen dan in de FML van 10 februari 2009 zijn aangenomen. Zolang er nog sprake is van uitgesproken depressieve klachten is het volgens Winter niet te verwachten dat betrokkene weer zinvol en duurzaam kan presteren. Voorts heeft betrokkene verzocht appellant in de door hem geleden schade te veroordelen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals blijkt uit, onder meer, de uitspraken van de Raad van 24 oktober 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0958) en 16 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH0291) laat de omstandigheid dat een verzekerde is toegelaten tot de doelgroep van de WSW onverlet dat de verzekerde in het kader van de uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in staat wordt geacht voor hem geschikte werkzaamheden in het vrije bedrijfsleven te verrichten. De Raad ziet geen reden om ten aanzien van een schatting op grond van de Wet WIA tot een ander oordeel te komen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de voor betrokkene geselecteerde functies op de enkele grond dat deze moeten worden aangemerkt als arbeid in het vrije bedrijf, niet aan de schatting van de resterende verdiencapaciteit van betrokkene ten grondslag hadden mogen worden gelegd. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

4.2.

Doende hetgeen de rechtbank zou moeten doen, wordt voorts het volgende overwogen.

4.2.1.

De Raad heeft in het rapport van psychiater Winter aanleiding gezien tot benoeming van de in de rubriek 1 genoemde deskundige dr. Trompenaars. Tezamen met klinisch en neuropsycholoog dr. L.L.E. Ligthart heeft Trompenaars betrokkene op 25 februari 2013 onderzocht. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft Trompenaars op 11 september 2013 gerapporteerd dat er op de datum in geding, 10 november 2008, sprake was van een langdurige (gemaskeerde) depressieve stoornis en een PTSS met verlaat begin. Voorts was er sprake van (toen nog) misbruik van alcohol. Dit misbuik is in de loop der jaren overgegaan in een verslaving. De psychische gesteldheid van betrokkene was op de datum in geding zo slecht dat er aanleiding was voor een maximale urenbeperking. Trompenaars acht de FML van 10 februari 2009 niet volledig en onjuist en concludeert dat de psychische gesteldheid van betrokkene zo slecht was en de daaruit voortkomende beperkingen zo groot dat betrokkene een intensieve psychiatrische behandeling had moeten ondergaan, waarvoor hij eigenlijk klinisch had moeten worden opgenomen.

4.2.2.

Bij rapport van 4 november 2013 heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd op het deskundigenrapport. Deze reactie komt er in hoofdlijnen op neer dat de bezwaarverzekeringsarts zich erover verbaast dat de door Trompenaars en Ligthart geconstateerde medische situatie van betrokkene in 2008 niet door eerder geraadpleegde deskundigen, van wie verslagen in het dossier zijn opgenomen, onderkend zijn.

4.2.3.

Bij brief van 2 december 2013 heeft Trompenaars gereageerd op dit rapport van de bezwaarverzekeringsarts en daarbij ook eerder in het dossier uitgebrachte deskundigenrapporten van commentaar voorzien. Trompenaars heeft daarin geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. De motivering van Trompenaars en Ligthart is overtuigend. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De in 4.2.2 en 4.2.3 genoemde rapporten van de bezwaarverzekeringsarts geven geen aanleiding het rapport van Trompenaars en Ligthart niet te volgen.

4.4.

Gelet op hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen berust het bestreden besluit op een gebrekkige motivering, zodat het in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is genomen.

4.5.

Er is aanleiding appellant met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen het gebrek in de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit te herstellen. Het is aan appellant om een deugdelijke onderbouwing van het bestreden besluit te leveren, dan wel om een nieuw besluit te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt appellant op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.W. Akkerman en

F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2014.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) D. Heeremans

TM