Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2981

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
12-09-2014
Zaaknummer
12-4387 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering teveel betaald voorschot. De informatie die in het besluit gegeven wordt is summier, maar appellante had navraag kunnen doen bij het Uwv dan wel bezwaar kunnen maken tegen dat besluit. Zoals verder uit de stukken blijkt, was op dat moment een folder beschikbaar waarin uitleg wordt gegeven over de wijze van berekening en gaf ook de website van het Uwv informatie over de startersregeling. Een te honoreren vertrouwen dat het Uwv af zou moeten wijken van de wettelijke voorschriften volgt dan ook niet uit de stukken, de gang van zaken rond het gesprek van 2 augustus 2007 of het besluit van 3 augustus 2007. Evenmin is er grond om af te wijken van de dwingend voorgeschreven wijze van verrekening van de inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4387 WW

Datum uitspraak: 10 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

28 juni 2012, 11/1401 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.C.H.J. Jansen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Lindeman. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Partijen hebben vervolgens stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 30 juli 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was met ingang van 1 december 2006 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellante had de wens om zich te ontwikkelen tot coach en counseler en heeft om die reden een ondernemingsplan opgesteld. In verband daarmee volgde zij, met instemming van het Uwv, een opleiding tot coach en is zij van 15 januari 2007 tot en met 15 juli 2007 vrijgesteld van de verplichting om te solliciteren. In verband met haar opleiding diende appellante begeleidingswerkzaamheden te verrichten. Voor die werkzaamheden werd zij betaald. In verband met vragen van haar kant over de gevolgen die dergelijke werkzaamheden en betalingen zouden kunnen hebben voor haar

WW-uitkering, heeft zij op 2 augustus 2007 een gesprek gehad met een re-integratiecoach van het Uwv. Bij besluit van 3 augustus 2007 heeft het Uwv appellante toestemming gegeven voor een zogenoemde startperiode die inging op 3 september 2007 en die eindigde op

2 maart 2008. In het besluit van 3 augustus 2008 is vermeld:

“Tijdens de startperiode loopt uw WW-uitkering door. Op uw uitkering moeten we 70% van uw inkomsten als zelfstandige in mindering brengen. Omdat de hoogte van uw inkomsten als zelfstandige pas na de startperiode bekend zal zijn, betalen we over de startperiode uw uitkering uit als voorschot. Na de startperiode zullen we u nader informeren over de verrekening van uw inkomsten.”

1.2. Op aangeven van appellante is de WW-uitkering met ingang van 11 februari 2008 geheel beëindigd. Zij werkte op dat moment volledig als zelfstandige.

2.

Bij besluit van 21 april 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante tijdens de startperiode meer had verdiend dan zij destijds had geschat en dat om die reden aan haar teveel voorschot is uitbetaald. Bij dat besluit heeft het Uwv een bedrag van € 11.328,41 aan teveel betaald voorschot van appellante teruggevorderd.

3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 april 2012. Bij beslissing op bezwaar van 20 september 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Naast een toelichting bij de berekening van het terug te vorderen bedrag, heeft het Uwv overwogen dat in de beslissing van 3 augustus 2007 staat vermeld dat het Uwv gehouden is om op de uitkering 70% van de inkomsten als zelfstandige in mindering te brengen, terwijl ook is aangegeven dat de hoogte van de inkomsten als zelfstandige pas na de startperiode bekend zal zijn en dat appellante haar uitkering daarom tijdens de startperiode als voorschot zal ontvangen en niet als een definitief recht op uitkering. Het Uwv heeft verder overwogen dat hoewel uit informatie op de website van het Uwv in 2007 mogelijk kon worden opgemaakt dat de WW-uitkering behouden kon worden, duidelijk vermeld staat dat er een gehele of gedeeltelijke terugbetaling kan volgen wanneer een bedrijf goed loopt. Het Uwv heeft verder verwezen naar een brochure uit januari 2007 waarin is toegelicht dat de

WW-uitkering als voorschot wordt verstrekt en dat het Uwv later de inkomsten als zelfstandige verrekent met de uitkering. Ten slotte was het Uwv van mening dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden.

4.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat appellante aan de inhoud van het besluit van 2 augustus 2007 en het besluit van 3 augustus 2007 geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat het Uwv ertoe had moeten brengen om de inkomsten van appellante op een voor haar gunstiger wijze met de ontvangen WW-uitkering te verrekenen dan de startersregeling voorschrijft. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt volgens de rechtbank niet.

5.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat het Uwv haar foutief heeft voorgelicht en zij op deze foutieve voorlichting mocht vertrouwen. Appellante heeft duidelijk haar situatie uitgelegd en naar aanleiding daarvan heeft het Uwv haar eenzijdige voorlichting verstrekt. In verband daarmee heeft appellante gesteld dat van een andere periode voor de bepaling van haar inkomsten moet worden uitgegaan, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de ondernemersaftrek, dan wel dient er naar haar mening een terugbetaling plaats te vinden die in verhouding staat met de door haar aan haar eigen bedrijf bestede tijd.

6.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen wordt verwezen naar onderdeel 7 van de aangevallen uitspraak.

6.2.

Het gespreksverslag van 2 augustus 2007 en de overige informatie die beschikbaar is over de gang van zaken die heeft geleid tot de toekenning van de startperiode, geven geen uitsluitsel over de vraag of destijds door het Uwv voorlichting is gegeven over een urenkorting als mogelijk alternatief voor een startperiode. Ook volgt uit die gegevens niet dat volledige voorlichting is gegeven over de wijze van berekening van de terugvordering van een voorschot. Echter, uit het besluit van 3 augustus 2007 waarin appellante de startperiode is toegekend, volgt ondubbelzinnig dat de WW-uitkering als voorschot wordt verstrekt. Uit dat besluit volgt tevens dat het volledige bedrag aan voorschot kan worden teruggevorderd. De informatie die in dat besluit gegeven wordt is summier, maar appellante had navraag kunnen doen bij het Uwv dan wel bezwaar kunnen maken tegen dat besluit. Zoals verder uit de stukken blijkt, was op dat moment een folder beschikbaar waarin uitleg wordt gegeven over de wijze van berekening en gaf ook de website van het Uwv informatie over de startersregeling. Een te honoreren vertrouwen dat het Uwv af zou moeten wijken van de wettelijke voorschriften volgt dan ook niet uit de stukken, de gang van zaken rond het gesprek van 2 augustus 2007 of het besluit van 3 augustus 2007. Evenmin is er grond om af te wijken van de dwingend voorgeschreven wijze van verrekening van de inkomsten.

6.3.

Niet in geschil is dat in het gesprek van 2 augustus 2007 geen voorlichting is gegeven over de urenkorting als alternatief voor een startperiode. Aan het niet geven van voorlichting over de urenkorting kan appellante niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat zij daarvoor wel in aanmerking zou behoren te komen.

6.4.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

7.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) S. Aaliouli

HD