Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
11-09-2014
Zaaknummer
13-2282 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internetgedrag. Zeer ernstig plichtsverzuim. Betrokkene heeft met zijn handelen het in hem te stellen vertrouwen grote schade toegebracht. De Raad deelt daarbij niet het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet als een gewaarschuwd man had te gelden. Hij is, naar door hem is bevestigd, begin 2010 immers uitdrukkelijk door senior-medewerker W op zijn internetgedrag aangesproken. Dat appellant toen geen schriftelijke waarschuwing heeft doen uitgaan maakt, anders dan is geoordeeld door de rechtbank, geenszins dat het bedoelde aanspreken van betrokkene in dit verband niet zou mogen meewegen. Betrokkene had acht behoren te slaan op hetgeen hem door W is meegegeven, niet alleen in de eerste weken maar ook nadien. De rechtbank kan al met al niet worden gevolgd in haar conclusie dat het ontslag onevenredig is te achten aan hier aan de orde zijnde plichtsverzuim. De duur van het dienstverband van betrokkene kan dat niet anders maken. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/1690
TAR 2014/189

Uitspraak

13/2282 AW

Datum uitspraak: 28 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

21 maart 2013, 12/1167 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Almelo (appellant)

[betrokkene] te [gemeente] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.J. Riemslag, advocaat, en R. van Geffen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. D.F. Briedé, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene was werkzaam als medewerker bestuursarchief bij de gemeente [gemeente]. Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt en betrokkene gelegenheid te hebben geboden daarop te reageren, heeft appellant hem bij besluit van 17 juli 2012, met ingang van 20 juli 2012, de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Aan dit besluit heeft appellant, naast enkele andere verwijten, de volgende twee verwijten ten grondslag gelegd. Betrokkene heeft op 27 oktober 2011, na door zijn leidinggevende B te zijn aangesproken op zijn internetgedrag, in aanwezigheid van zijn collega’s S en M aangekondigd dat hij deze leidinggevende wilde ombrengen en uitvoerig gesproken over de wijze waarop hij dat wilde aanpakken. Daarnaast heeft betrokkene zich, naar wordt bevestigd door een rapportage van recherchebureau[naam], maandenlang stelselmatig schuldig gemaakt aan overmatig gebruik van het internet voor privédoeleinden.

1.2. Betrokkene heeft tegen het besluit van 17 juli 2012 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

25 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust enkel nog op de twee onder 1.1 nader omschreven verwijten.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het ontslagbesluit van 17 juli 2012 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet op grond van voldoende deugdelijke gegevens is komen vast te staan dat betrokkene zich op 27 oktober 2011 heeft uitgelaten zoals hem door appellant wordt verweten. Het tevens aan betrokkene verweten veelvuldig internetgebruik voor privédoeleinden is volgens de rechtbank wel komen vast te staan en levert naar het oordeel van de rechtbank toerekenbaar plichtsverzuim op, maar dit plichtsverzuim is volgens de rechtbank op zichzelf beschouwd onevenredig aan de sanctie van een onvoorwaardelijk strafontslag. Het bedoelde internetgebruik rechtvaardigde naar het oordeel van de rechtbank slechts een waarschuwing, en die is, aldus de rechtbank, reeds op

27 oktober 2011 gegeven.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellant meent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aan betrokkene verweten uitlatingen van 27 oktober 2011 in onvoldoende mate zijn komen vast te staan. Daarin kan appellant niet worden gevolgd. De rechtbank heeft terecht betekenis gehecht aan de tamelijk forse tegenstrijdigheden in de verklaringen van enerzijds collega S en anderzijds collega M over hetgeen betrokkene precies zou hebben gezegd. Evenzeer terecht heeft de rechtbank laten meewegen de vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van

1 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2349), inhoudende dat met verklaringen van collega’s door de dienstleiding voorzichtig moet worden omgegaan. Volgens deze rechtspraak kunnen dergelijke verklaringen slechts goed op hun waarde worden geschat tegen de achtergrond van de verhoudingen in de betrokken groep medewerkers. Ook in dit geval speelt die achtergrond een rol. De verhoudingen waren namelijk niet vrij van onderlinge wrijvingen, terwijl bovendien is gebleken van bepaalde rechtspositionele knelpunten bij zowel S als M. De volgens de zojuist bedoelde rechtspraak in beginsel aanwezige noodzaak om verklaringen als hier aan de orde in een nader onderzoek te verifiëren, deed zich dus ook in dit geval voor. De rechtbank heeft het ontbreken van zodanig nader onderzoek terecht mee laten wegen. Dat de mogelijkheden daartoe, nu er buiten S en M nu eenmaal niemand bij de beweerde uitlatingen van betrokkene aanwezig was, slechts beperkt waren, is een omstandigheid die in dit verband niet in het nadeel van betrokkene mag werken. Conclusie kan niet anders zijn dan dat het hier aan de orde zijnde verwijt een toereikende feitelijke grondslag ontbeert. Deze beroepsgrond slaagt niet.

3.2.

Appellant is het ook niet eens met het oordeel van de rechtbank dat het internetgedrag van betrokkene op zichzelf beschouwd het ontslag niet kan dragen. Die beroepsgrond treft doel. Vooropgesteld wordt in dit verband dat hetgeen betrokkene ter zitting van de Raad heeft verklaard in grote lijnen een bevestiging inhoudt van de bevindingen van de werkgever en van[naam] op dit punt. Betrokkene heeft hierbij expliciet verklaard over actief gebruik van websites als Facebook en Marktplaats, dit in weerwil van eerdere verklaringen van zijn kant omtrent het slechts passief hebben openstaan van deze websites. Het privégebruik zoals dat uit de bedoelde bevindingen naar voren komt is bepaald excessief te achten. Zo gaat het bijvoorbeeld zowel in de maand november 2010 als in de maand december 2010 om meer dan 20 uur, en dus, gemeten in niet gewerkte uren, om meer dan de helft van een voltijdse werkweek. Over andere maanden komt een vergelijkbaar beeld naar voren. Daarmee is evident sprake van zeer ernstig plichtsverzuim. Die conclusie is te meer op zijn plaats gezien het van toepassing zijnde Privacyreglement e-mail- en internetgebruik, dat slechts incidenteel privégebruik toestaat, dit onder de voorwaarde dat dit gebruik in geen geval storend is voor, of ten koste gaat van de werkzaamheden. Betrokkene heeft met zijn handelen het in hem te stellen vertrouwen grote schade toegebracht. De Raad deelt daarbij niet het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet als een gewaarschuwd man had te gelden. Hij is, naar door hem is bevestigd, begin 2010 immers uitdrukkelijk door senior-medewerker W op zijn internetgedrag aangesproken. Dat appellant toen geen schriftelijke waarschuwing heeft doen uitgaan maakt, anders dan is geoordeeld door de rechtbank, geenszins dat het bedoelde aanspreken van betrokkene in dit verband niet zou mogen meewegen. Betrokkene had acht behoren te slaan op hetgeen hem door W is meegegeven, niet alleen in de eerste weken maar ook nadien. De rechtbank kan al met al niet worden gevolgd in haar conclusie dat het ontslag onevenredig is te achten aan hier aan de orde zijnde plichtsverzuim. De duur van het dienstverband van betrokkene kan dat niet anders maken.

3.3.

Nu het ontslag stand houdt, moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. De Raad zal het beroep ongegrond verklaren.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2014.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) S.W. Munneke

HD