Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
12-6356 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het appellant valt te verwijten dat hij de aanvraag om bijstand niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend na de melding op 12 december 2011, zodat het college de ingangsdatum van de bijstand ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WWB had moeten vaststellen op die datum. Daarbij wordt aangetekend dat het college niet heeft aangevoerd dat er enig beletsel bestaat om aan appellant met ingang van 12 december 2011 bijstand te verlenen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging uitspraak. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het besluit van 21 februari 2012 herroepen in die zin dat het college aan appellant met ingang van 12 december 2011 bijstand verstrekt naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met de toepasselijke toeslag.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 43
Wet werk en bijstand 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/354
JWWB 2014/254
RSV 2014/262

Uitspraak

12/6356 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

17 oktober 2012, 12/4945 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Gouda (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Van den Heuvel heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2014. Namens appellant is mr. Van den Heuvel verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.A. van Dalsum.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant heeft tot 14 november 2011 een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen. Bij besluit van 7 december 2011 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) appellant met ingang van 14 november 2011 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontzegd, omdat hij niet voldoet aan de referte-eis. Op 12 december 2011 heeft appellant zich gemeld bij het UWV Werkbedrijf om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Gerapporteerd is dat appellant zonder bericht op 15 december 2011 niet is verschenen voor een poortgesprek bij de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Gouda. Genoteerd is dat appellant op 9 januari 2012 bij het UWV Werkbedrijf langs is geweest met een nieuw legitimatiebewijs en dat hij verwezen is naar de gemeente omdat hij een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Na een nieuwe melding op 18 januari 2012 en de daarop volgende bijstandsaanvraag heeft het college bij besluit van 21 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 april 2012 (bestreden besluit), afwijzend beslist op deze aanvraag op de grond dat het inkomen van de inwonende familieleden van appellant hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm.

1.3. In verband met de afschaffing van de zogeheten huishoudinkomenstoets heeft het college naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om bijstand van appellant aan hem met terugwerkende kracht tot 18 januari 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, in eerste instantie verhoogd met een toeslag van 5% toegekend.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat hij ter zitting het standpunt heeft prijsgegeven dat de bijstand op 14 november 2011 moet ingaan. Het college betwist dit standpunt. Het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 21 september 2012, waarin appellant is aangeduid als eiser, vermeldt: ”De stelling dat 14 november 2011 als ingangsdatum voor de uitkering zou hebben te gelden wordt door eiser niet langer gehandhaafd; de bijstandsuitkering moet met ingang van 12 december 2011 worden toegekend.” Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat, zoals gesteld, zijn standpunt ter zitting niet correct in het proces-verbaal is weergegeven. Daarbij is van belang dat de pleitnota van appellant, overgelegd tijdens die zitting, eindigt met de conclusie dat het college gehouden was om de ingangsdatum van de bijstand van appellant te stellen op 10 december 2011 dan wel 9 januari 2012. De datum van 14 november 2011 wordt daarbij niet genoemd. Bovendien heeft appellant eerst in het aanvullend hoger beroepschrift van 2 juli 2014 aangevoerd dat de ingangsdatum van 14 november 2011 niet was prijsgegeven. In het hoger beroepschrift van 28 november 2012 is niet ingegaan op de betreffende passage in de aangevallen uitspraak. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de Raad erkend dat hij zelf debet is geweest aan de verwarring over de ingangsdatum. Dat het prijsgeven van de datum van 14 november 2011 zou berusten op een verwarring is evenwel niet aannemelijk gemaakt. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat appellant de oorspronkelijk beoogde ingangsdatum van de bijstand op

14 november 2011 heeft prijsgegeven. Het geschil tussen partijen in hoger beroep is daarom, primair, of het college aan appellant met ingang van 12 december 2011 bijstand had moeten toekennen.

4.2.1.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WWB wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, het college, in afwijking van het eerste lid, kan besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.

4.2.2.

Vaststaat dat appellant zich op 12 december 2011 bij het UWV Werkbedrijf heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Het college stelt zich op het standpunt dat appellant bij die gelegenheid een uitnodiging is meegegeven voor een zogeheten poortgesprek op 15 december 2011 en dat appellant bij die gelegenheid zonder bericht niet is verschenen. Volgens het college is het gebruikelijk dat bij een dergelijke melding een formulier wordt meegegeven waarop met de pen de volgende afspraak wordt geschreven. Omdat appellant op 15 december 2011 niet is verschenen heeft hij de aanvraag om bijstand niet zo spoedig mogelijk ingediend nadat hij zich heeft gemeld, hetgeen hem te verwijten valt. Om die reden heeft het college aan appellant - uiteindelijk - met ingang van 18 januari 2012, de datum van de nieuwe melding, bijstand toegekend. Appellant bestrijdt dat bij de melding op 12 december 2011 een vervolgafspraak voor een poortgesprek op 15 december 2011 is gemaakt. Volgens appellant heeft de medewerker van het UWV werkbedrijf gezegd dat appellant van de gemeente een uitnodiging voor een gesprek zou ontvangen.

4.2.3.

Het college heeft ter zitting van de Raad erkend dat geen direct bewijs voorhanden is dat het UWV Werkbedrijf op 12 december 2011 met appellant een afspraak voor een gesprek bij de gemeente op 15 december 2011 heeft gemaakt en dat aan hem een formulier met die datum is meegegeven. De omstandigheid dat dit volgens het college de gebruikelijke gang van zaken is en dat de betreffende medewerker van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Gouda heeft gerapporteerd dat appellant zich niet heeft afgemeld, is onvoldoende om aan te nemen dat met appellant de bewuste afspraak is gemaakt en aan hem een formulier is uitgereikt waarop dit is bevestigd. Zo ontbreekt een afschrift van het bewuste formulier of een daartoe strekkende verklaring van de betreffende medewerker van het UWV Werkbedrijf, terwijl een dergelijke afspraak ook niet blijkt uit de door het college geproduceerde uitdraai uit het registratiesysteem “Sonar”. Het college heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat het appellant te verwijten valt dat hij niet op 15 december 2011 de aanvraag om bijstand heeft ingediend. Evenmin heeft het college aannemelijk gemaakt dat het appellant te verwijten valt dat hij de aanvraag eerst in de loop van januari 2012 heeft ingediend. Daartoe is van belang dat appellant, in zijn beleving, in afwachting was van een uitnodiging van de gemeente om de aanvraag in te dienen, dat in deze periode meerdere feestdagen vallen en dat appellant op

9 januari 2012 in verband met de aanvraag om bijstand actie heeft ondernomen, zij het niet in de richting van de gemeente.

4.2.4.

Uit 4.2.3 volgt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het appellant valt te verwijten dat hij de aanvraag om bijstand niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend na de melding op 12 december 2011, zodat het college de ingangsdatum van de bijstand ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WWB had moeten vaststellen op die datum. Daarbij wordt aangetekend dat het college niet heeft aangevoerd dat er enig beletsel bestaat om aan appellant met ingang van 12 december 2011 bijstand te verlenen. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en het besluit van 21 februari 2012 herroepen in die zin dat het college aan appellant met ingang van 12 december 2011 bijstand verstrekt naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met de toepasselijke toeslag.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 974, in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, dus in totaal € 2.922,- .

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 19 april 2012;

- herroept het besluit van 21 februari 2012 en bepaalt dat het college aan appellant met ingang

van 12 december 2011 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met de

toepasselijke toeslag, verstrekt;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 19 april 2012;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.922,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en J.F. Bandringa en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD