Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
13-3219 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. De zoon was geen ten laste komend kind en was daarom niet in de bijstandsnorm begrepen. Dit betekent dat in de woning van appellante ten minste een ander zijn hoofdverblijf had met wie zij de woonkosten kon delen. Het college was daarom bevoegd de toeslag van appellante op grond van artikel 3, vierde lid, van de Verordening te verlagen tot 5% van het nettominimumloon. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat de zoon niet beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een inkomen uit arbeid of een uitkering ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3219 WWB

Datum uitspraak: 9 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

28 mei 2013, 13/196 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is op de zitting van 29 juli 2014 ter behandeling aan de orde gesteld. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij woont samen met haar zoon [naam] (zoon).

1.2.

Naar aanleiding van een wijziging van de WWB met ingang van 1 januari 2012 heeft het college appellante verzocht gegevens te verstrekken over haar woonsituatie. Dit heeft ertoe geleid dat appellante op 10 april 2012 een aanvraag voor gezinsbijstand heeft ingediend met als gewenste ingangsdatum 1 juli 2012.

1.3.

Bij besluit van 19 juli 2012 heeft het college de bijstand van appellante herzien over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 30 juni 2012 (periode in geding). Bij besluit van

20 juli 2012 heeft het college de kosten van bijstand over de periode in geding tot een bedrag van in totaal € 2.182,64 van appellante teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 16 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 19 en 20 juli 2012 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de zoon van appellante in de periode in geding zelfstandig aanspraak kon maken op bijstand, zodat appellante de woonkosten met hem kon delen. Appellante had daarom op grond van artikel 25 van de WWB in verbinding met artikel 3 van de Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Stadskanaal (Verordening) recht op een toeslag van 5% in plaats van 20%.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de zoon in de te beoordelen periode geen studiefinanciering ontving. Bepalend is of appellante geacht kon worden de woonkosten met haar zoon te delen en niet of hij feitelijk in staat was een bijdrage in de kosten te betalen. Van bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het college en de rechtbank niet van de juiste feiten zijn uitgegaan. Haar zoon viel in de periode van 10 augustus 2011 tot en met 10 februari 2012 onder de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en studiekosten (Wtos). De terugvordering moet daarom worden beperkt tot de periode van 11 februari 2012 tot en met 30 juni 2012. Voorts is het onjuist dat appellante de toeslag van 20% alleen ontving omdat zij een studerend kind had. Deze toeslag is mede toegekend omdat appellante als chronisch zieke meer uitgaven heeft dan anderen. Het college had bij de herziening en terugvordering rekening moeten houden met de ziekte van appellante en haar zorgbehoefte. De rechtbank heeft ten onrechte geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 10 van de Verordening aanwezig geacht. Het college heeft onzorgvuldig gehandeld door in plaats van een besluit te nemen op de aanvraag voor een gezinsuitkering zonder heronderzoek over te gaan tot herziening en terugvordering, aldus appellante.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WWB verhoogt het college de bijstandsnorm met een toeslag voorzover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuiswonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.

4.2.

Artikel 3, vierde lid, van de Verordening bepaalt dat de bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag van 5% van het nettominimumloon, indien de woonkosten kunnen worden gedeeld.

4.3.

Ingevolge artikel 10 van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders, indien toepassing van de Verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt, in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5565) kunnen ouders geen woonkosten delen met een thuiswonend niet ten laste komend kind dat enkel inkomsten voor levensonderhoud heeft uit studiefinanciering. Zo’n thuiswonend kind kan geen aanspraak maken op bijstand.

4.5.

Niet in geschil is dat de zoon in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante en ouder was dan 18 jaar. Uit de gedingstukken komt naar voren dat de zoon van 11 augustus 2011 tot 10 februari 2012 een tegemoetkoming deeltijders van DUO-IB Groep ten behoeve van cursusgeld en/of schoolkosten heeft ontvangen, maar geen studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op grond van hoofdstuk 4 van de Wtos. Na 10 februari 2012 heeft de zoon in de te beoordelen periode geen enkele vorm van studiefinanciering ontvangen. De zoon was geen ten laste komend kind en was daarom niet in de bijstandsnorm begrepen. Dit betekent dat in de woning van appellante gedurende de periode in geding ten minste een ander zijn hoofdverblijf had met wie zij de woonkosten kon delen. Het college was daarom bevoegd de toeslag van appellante op grond van artikel 3, vierde lid, van de Verordening te verlagen tot 5% van het nettominimumloon. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat de zoon niet beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over een inkomen uit arbeid of een uitkering ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm.

4.6.

In wat appellante heeft aangevoerd over haar medische situatie is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college op grond van artikel 10 van de Verordening af had moeten zien van toepassing van artikel 3, vierde lid, van de Verordening. De medische situatie van appellante heeft geen directe relatie met de omstandigheid of zij de woonkosten al dan niet kan delen met de zoon.

4.7.

De stelling van appellante dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door geen beslissing te nemen op haar aanvraag om gezinsbijstand maar over te gaan tot herziening en terugvordering van bijstand, kan niet worden gevolgd. De omvang van het onderhavige geding is immers beperkt tot de herziening en terugvordering van bijstand in de te beoordelen periode, ten aanzien waarvan de besluitvorming is neergelegd in het bestreden besluit, en ziet niet op de destijds ingediende aanvraag om gezinsbijstand.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) A.C. Oomkens

HD