Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2965

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
13-3139 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de aanvraag om bijzondere bijstand is uitdrukkelijk vermeld dat de verhuiskosten betrekking hadden op de huur van een auto ten bedrage van € 65,-. Appellant heeft ook in bezwaar terecht alleen met betrekking tot die kosten een beslissing genomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3139 WWB

Datum uitspraak: 9 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord Nederland van 25 april 2013, 12/1325 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S.M. Wolfert, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M. Klok. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Wolfert.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene is in maart 2012 verhuisd van Hoogezand naar [woonplaats]. Op 6 maart 2012 heeft de Stichting Omega Beheer (stichting) als curator van betrokkene namens hem een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor onder meer verhuiskosten, bestaande uit de kosten van autohuur ten bedrage van € 65,-.

1.2.

Bij besluit van 25 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 november 2012 (bestreden besluit), heeft appellant, voor zover hier van belang, de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van autohuur afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft appellant ten grondslag gelegd dat de bij de aanvraag gestelde kosten van € 65,- voor de huur van een auto niet zijn gemaakt.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant opnieuw op het bezwaar van betrokkene alsmede op zijn verzoek om schadevergoeding dient te beslissen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht de door betrokkene in bezwaar geclaimde extra verhuiskosten van € 43,- en € 125,- niet bij de heroverweging en het bestreden besluit heeft betrokken. Voorts had appellant, indien nodig, nader onderzoek kunnen verrichten naar de aannemelijkheid en de noodzakelijkheid van de alsnog geclaimde kosten en naar de vraag of die kosten al dan niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft primair aangevoerd dat bij het bestreden besluit moest worden geoordeeld over de aanvraag om bijzondere bijstand voor € 65,- aan verhuiskosten. Voor de kosten van € 43,- en € 125,- lag geen aanvraag voor. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat in het bestreden besluit is opgenomen dat betrokkene de kosten van € 43,- en € 125,- niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De stichting heeft bij het aanvraagformulier van appellant een gespecificeerd overzicht gevoegd van de totale kosten waarvoor bijzondere bijstand werd gevraagd, met de daarbij behorende offertes. Die kosten bestonden uit diverse inrichtingskosten en de hier in geding zijnde kosten van autohuur ten bedrage van € 65,-. Tijdens de hoorzitting heeft betrokkene verklaard dat hij uiteindelijk geen auto heeft gehuurd omdat hij daarvoor geen geld had en dat hij bij de verhuizing voor meer dan € 300,- aan kosten heeft gemaakt, zoals € 43,- voor het vervoer van vloerdelen en € 125,- voor het gebruik van een verhuiskar.

4.2.

De primaire beroepsgrond van appellant slaagt. Appellant voert terecht aan dat de beslissing die in bezwaar moest worden genomen, diende te gaan over de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van autohuur ten bedrage van € 65,- waarop op 25 mei 2012 was besloten, en niet over de kosten die betrokkene in bezwaar naar voren heeft gebracht. Gelet op het feit dat betrokkene in maart 2012 is verhuisd, moet hij al vóór 25 mei 2012, de dag waarop op zijn aanvraag is beslist, geweten hebben dat hij geen auto kon huren voor € 65,- en dat zijn verhuiskosten € 43,- en € 125,- zouden bedragen. Het had op de weg van betrokkene gelegen om appellant daarover tijdig te informeren en zijn aanvraag dienovereenkomstig aan te (laten) passen. Betrokkene heeft dat echter nagelaten. Nu bij de aanvraag om bijzondere bijstand uitdrukkelijk is vermeld dat de verhuiskosten betrekking hadden op de huur van een auto ten bedrage van € 65,-, heeft appellant ook in bezwaar terecht alleen met betrekking tot die kosten een beslissing genomen.

4.3.

De rechtbank heeft wat in 4.2 is overwogen niet onderkend. Reeds hierom dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) P.C. de Wit

HD