Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
13-184 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijzondere bijstand voor aangepast schoeisel en in de reiskosten voor de aanschaf hiervan over de jaren 2011 en 2012. De kosten van het verplicht eigen risico ingevolge de Zorgverzekeringswet behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die de betrokkene in beginsel uit de bijstandsnorm dient te voldoen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/184 WWB, 13/5015 WWB

Datum uitspraak: 9 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Assen van

29 november 2012, 11/456 en 30 juli 2013, 13/318 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke sociale dienst van de gemeente Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.K. Naves, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak met nummer 11/456. Namens appellante heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak met nummer 13/318.

Het bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Op 23 oktober 2013 heeft mr. Faber zich als opvolgend gemachtigde gesteld in het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak met nummer 11/456.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Het bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 31 maart 2010 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van schoenen, reiskosten ten behoeve van de schoenen, pedicure, podotherapeut, tandartskosten, advocaatkosten, medicijnen, klushulp, kleding, woonkosten, pasfoto’s, identiteitskaart, telefoonkosten en rijbewijs. Op 16 oktober 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van eigen risico zorgverzekering, medicijnkosten, internet, rechtshulp en proceskosten, aanschaf computer, pedicure, tandarts, telefoon en langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht vanaf 2002. Op 22 november 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage zorgverzekering 2002 t/m 2010, pasfoto’s, paspoort, pedicure, medicijnen en verlenging rijbewijs. Op 23 december 2010 heeft appellante de meedoenpremie ouderen, chronisch zieken en gehandicapten 2002 t/m 2008 aangevraagd. Op 12 september 2011,

21 november 2011 en 21 januari 2012 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van aangepaste schoenen en reiskosten naar een speciaalzaak in [plaats 1].

1.2.

Bij besluit van 10 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het bestuur de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten van 21 september 2010, 18 november 2010,

19 november 2010, 22 november 2010, 17 januari 2011 en 28 januari 2011 ongegrond verklaard, behoudens het deel van het besluit van 17 januari 2011 dat ziet op de aanvraag om bijzondere bijstand voor kleding.

1.3.

Bij besluiten van 5 december 2011 en 22 maart 2012 heeft het bestuur aan appellante bijzondere bijstand toegekend voor aangepast schoeisel en in de reiskosten voor de aanschaf hiervan over de jaren 2011 en 2012. Bij besluit van 8 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het bestuur de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 5 december 2011 en 22 maart 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Appellante stelt dat de vergoeding die voor de schoenen is toegekend te laag is vastgesteld en dat reiskostenvergoeding in overeenstemming gebracht moet worden met de eerder toegekende reiskostenvergoeding voor de drie noordelijke provincies. Met betrekking tot de toegekende kledingvergoeding stelt appellante dat die eerder verstrekt had moeten worden, dat die te laag is en dat de kosten van reizen voor vergoeding in aanmerking komen nu ook voor de schoenen reiskosten is vergoed. Ten aanzien van de medische kosten stelt appellante dat in het kader van de collectieve verzekering onder andere het eigen risico wordt vergoed en dat zij niet inziet waarom zij deze kosten niet vergoed krijgt. Tot slot heeft appellante in hoger beroep aangevoerd dat de draagkracht niet correct berekend is.

4.

De Raad, zich beperkend tot wat in hoger beroep is aangevoerd, komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit niet meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.2.

Het bijstandverlenend orgaan is bevoegd om bij de bepaling van de hoogte van de bijstand voor de verschillende kostenposten richtprijzen te hanteren. Gelet op het karakter van de bijstand als bodemvoorziening mag het bijstandverlenend orgaan daarbij uitgaan van de goedkoopste passende voorzieningen. Dit laat onverlet dat het betrokkene vrijstaat aannemelijk te maken dat in zijn geval noodzakelijkerwijs hogere kosten moeten worden gemaakt dan de richtbedragen. Voor zowel de vergoeding van schoenen als van kleding heeft het bestuur in redelijkheid kunnen uitgaan van de gehanteerde richtprijzen. De in hoger beroep overgelegde stukken over de kosten van schoenen zijn ontoereikend voor de conclusie dat appellante in 2011 en 2012 noodzakelijkerwijs meer kosten heeft moeten maken dan toegekend, reeds omdat uit die stukken niet blijkt op welke periode zij zien. Appellante heeft aangevoerd dat haar kleding vaak versteld moet worden, maar dit niet verder onderbouwd, zodat met deze enkele verwijzing naar volgens appellante noodzakelijke verstelkosten niet aannemelijk is gemaakt dat de aangehouden richtbedragen in het geval van appellante ontoereikend zijn. Daarbij wordt nog opgemerkt dat appellante eenmalig een kledingvergoeding heeft toegekend gekregen met een toeslag van 50% op de standaardvergoeding van € 604,70. Dat appellante eerder dan in maart 2009 bijzondere bijstand voor kleding heeft aangevraagd, heeft zij niet met stukken onderbouwd dan wel anderszins aannemelijk gemaakt. Met betrekking tot de reiskosten in verband met de aanschaf van schoenen heeft het bestuur zich kunnen beperken tot de minimale reisafstand die noodzakelijk is. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in [plaats 2], [plaats 1] dan wel [plaats 3] kan slagen. Voor zover appellante in hoger beroep een reiskostenvergoeding voor kleding heeft bepleit wordt er op gewezen dat voor die kosten geen bijzondere bijstand is aangevraagd.

4.3.

De kosten van eigen risico zorgverzekering waarvoor appellante bijstand heeft aangevraagd zijn het gevolg van het bestaan van het met ingang van 1 januari 2008 ingevoerde verplicht eigen risico in de Zorgverzekeringswet. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 21 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV6493) behoren de kosten van het verplicht eigen risico ingevolge de Zorgverzekeringswet tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die de betrokkene in beginsel uit de bijstandsnorm dient te voldoen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Het betreft een algemene maatregel die voor alle zorgverzekerden geldt en waarmee alle zorgverzekerden te maken kunnen hebben, ongeacht of zij chronisch ziek zijn of niet. Dat collectief verzekerden bij de gemeente mogelijk voor deze kosten gecompenseerd worden maakt niet dat appellante, die geen deel uitmaakt van die collectieve verzekering, eveneens in deze kosten tegemoet gekomen moet worden.

4.4.

Gelet op de uitspraken van de rechtbank Assen van 23 december 2008 met kenmerk 08/24 WWB en 08/648 WWB, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, kan de in het verleden volgens appellante onjuist vastgestelde draagkracht in dit geding niet aan de orde worden gesteld.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken bevestigd dienen te worden.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2014.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) O.P.L. Hovens

HD