Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2962

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
13-6317 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvragen om bijzondere bijstand. De kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd houden verband met het starten van een onderneming. De keuze om deze onderneming te (willen) starten heeft appellant op basis van vrijwilligheid gemaakt. Bezien vanuit het oogpunt van toepassing van de WWB behoren extra kosten die voortkomen uit de eigen keuze van appellant voor zijn rekening te blijven. De kosten van de cursussen aan de Rijksuniversiteit Groningen en van het opmaken van een notariële akte kunnen daarom, anders dan appellant meent, niet worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6317 WWB, 13/6318 WWB

Datum uitspraak: 9 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van

7 november 2013, 12/1030 en 12/1031 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 17 juni 2014. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M.J.I. de Veer.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1945, ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en is ontheven van de arbeidsverplichtingen. Het is de wens van appellant een zelfstandige onderneming te vestigen in het vervaardigen van ambachtelijk ijs.

1.2.

Op 26 november 2008 heeft appellant bij de rechtsvoorganger van het dagelijks bestuur een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van het volgen van cursussen aan de Rijksuniversiteit Groningen.

1.3.

Op 25 februari 2009 heeft appellant bij de rechtsvoorganger van het dagelijks bestuur een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van het opmaken van een notariële akte.

1.4.

Na bezwaar, beroep en hoger beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn aanvragen, heeft het dagelijks bestuur bij afzonderlijke besluiten van 15 mei 2012 (bestreden besluiten) de bezwaren van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard en de aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van het volgen van cursussen aan de Rijksuniversiteit Groningen onderscheidenlijk voor de kosten van het opmaken van een notariële akte afgewezen. Aan beide bestreden besluiten heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat de kosten niet noodzakelijk zijn en niet voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.

2.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd houden verband met het starten van de onder 1.1 vermelde onderneming. De keuze om deze onderneming te (willen) starten heeft appellant op basis van vrijwilligheid gemaakt. Bezien vanuit het oogpunt van toepassing van de WWB behoren extra kosten die voortkomen uit de eigen keuze van appellant voor zijn rekening te blijven. De kosten van de cursussen aan de Rijksuniversiteit Groningen en van het opmaken van een notariële akte kunnen daarom, anders dan appellant meent, niet worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) P.C. de Wit

HD