Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2959

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
13-2803 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening besluit. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2803 BBZ, 13/2804 BBZ

Datum uitspraak: 9 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

12 april 2013, 12/1300 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2014. Voor appellanten is verschenen mr. Faber. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Blom.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 3 oktober 2005 heeft het college aan appellant een bedrijfskrediet van € 18.000,- toegekend op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Daarnaast heeft het college appellant met ingang van 1 januari 2006 gedurende een half jaar een periodieke uitkering toegekend ter voorziening in de kosten van levensonderhoud gedurende de aanloopperiode van zijn taxibedrijf. Bij besluit van

22 november 2007 heeft het college een bedrag van € 32.313,04 van appellanten teruggevorderd, bestaande uit het bedrijfskrediet vermeerderd met de verschuldigde rente en de in de vorm van een renteloze lening verstrekte periodieke uitkeringen voor levensonderhoud.

1.2.

Bij brief van 11 oktober 2011 hebben appellanten het college verzocht het besluit van

22 november 2007 te herzien.

1.3.

Bij besluit van 12 december 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 mei 2012 (bestreden besluit), heeft het college dit verzoek afgewezen op de grond dat appellanten in de brief van 11 oktober 2011 geen argumenten hebben aangevoerd die aangemerkt kunnen worden als nieuwe feiten of omstandigheden.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onbehandeld laten van een bezwaarschrift tegen het besluit van 22 november 2007, evenmin als de grieven van appellanten tegen de zorgvuldigheid en de juistheid van het besluit van 22 november 2007 en het feit dat de jaarrekening 2006 na het besluit van 22 november 2007 is opgekomen, nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nog afgezien van de vraag of de brief van appellanten van

3 januari 2008 moet worden beschouwd als een bezwaarschrift tegen het oorspronkelijke besluit, hadden appellanten destijds bezwaar kunnen maken tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar. De beroepsgrond gericht tegen de zorgvuldigheid en de juistheid van het besluit van 22 november 2007 had destijds in bezwaar naar voren kunnen en moeten worden gebracht. De jaarrekening had ook in redelijkheid destijds overlegd kunnen worden, zeker nu het college daar meerdere malen vergeefs om heeft verzocht en appellanten destijds de toezending daarvan ook hebben toegezegd. Appellanten hebben ruim de tijd gehad om binnen de door het college gegeven termijn de jaarstukken te overleggen. De rechtbank heeft op grond hiervan geoordeeld dat het college bevoegd was om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van de Awb het verzoek af te wijzen en dat het college in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellanten van 11 oktober 2011 strekt ertoe dat het college terugkomt van zijn besluit van 22 november 2007.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat wat appellanten hebben aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn en maakt de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. Wat appellanten hebben aangevoerd, vormt in essentie slechts een herhaling van wat zij al in beroep hebben aangevoerd. Dit kan niet tot een ander oordeel leiden. De Raad voegt hieraan toe dat ook de stelling van appellanten dat het besluit van 22 november 2007 kennelijk onjuist is, nu volgens hen is aangetoond dat aan dit besluit vele juridische fouten kleven, geen doel treft. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 29 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6842), speelt de (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit als zodanig geen beslissende rol en brengt dit niet mee dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid gebruik kan maken van zijn bevoegdheid om toepassing te geven aan artikel 4:6 van de Awb.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat gaan aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) P.C. de Wit

HD