Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2958

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
13-5533 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring beroep. Geen procesbelang aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/5533 WWB

Datum uitspraak: 9 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2013, 13/2345 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 29 juli 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde van belang aanvullende bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Voor ziektekosten was zij verzekerd via de door de gemeente Amsterdam aangeboden Collectieve verzekering AV (Plus) Amsterdam. De maandelijks te betalen premie werd ingehouden op haar bijstand. Bij besluit van 10 december 2012 heeft het college appellante bericht dat de Dienst werk en inkomen (DWI) de premie voor de zorgverzekering over het jaar 2012 niet of niet volledig op de bijstand van appellante heeft ingehouden en dat daardoor achterstand in de premiebetalingen is ontstaan tot een bedrag van € 240,96. In verband daarmee wordt met ingang van 1 januari 2013 maandelijks een extra bedrag van € 50,- op de bijstand ingehouden totdat de achterstand in premiebetalingen is weggewerkt. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.

1.2.

Uit de uitkeringsspecificatie van 24 januari 2013 blijkt dat een bedrag van € 50,- is ingehouden op de bijstand van appellante ter aflossing van schulden. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 26 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard om reden dat de uitkeringsspecificatie niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.4.

Naar aanleiding van het bezwaar is de maandelijkse inhouding evenwel met ingang van

1 maart 2013 opgeschort en zijn de in januari en februari 2013 ingehouden bedragen aan appellante terugbetaald.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. In het midden latend of een uitkeringsspecificatie een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb is, is de rechtbank van oordeel dat nu de maandelijkse inhouding van € 50,- is opgeschort en de ingehouden bedragen zijn teruggestort, het college tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante zodat zij, nu zij in beroep niet heeft gesteld dat zij schade heeft geleden, geen belang meer heeft bij een oordeel over haar beroep.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij betwist het oordeel van de rechtbank dat zij geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar beroep. De extra inhouding van € 50,- is niet afgelast, maar slechts opgeschort tot appellantes financiële positie aflossing toestaat. Appellante zal te zijner tijd opnieuw met inhouding worden geconfronteerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1518), dat voor een ontvankelijk (hoger) beroep vereist is dat kan worden gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden procesbelang bij een uitspraak. De maandelijkse inhouding van € 50,- is opgeschort tot appellantes financiële positie aflossing toelaat, de over januari en februari 2013 ingehouden bedragen zijn teruggestort op de rekening van appellante. Indien het college wederom maandelijks een bedrag wenst in te houden op de bijstand van appelante ter aflossing van de ontstane premieachterstand, zal het daartoe een (nieuw) besluit moeten nemen. Tegen dit eventueel toekomstig besluit, zal appellante te zijner tijd rechtsmiddelen kunnen aanwenden.

4.2.

Aangezien appellante niet heeft gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming, is ook anderszins geen procesbelang aanwezig. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard. De overig ingediende beroepsgronden behoeven geen bespreking.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) B. Rikhof

HD