Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2950

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
13-4274 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellanten beschikken met ingang van 23 december 2011 niet langer over een geldig verblijfsdocument, waarmee het recht op bijstand is komen te vervallen. Nu appellanten dit niet tijdig aan het dagelijks bestuur hebben gemeld is over de periode van 23 december 2011 tot en met 1 september 2012 ten onrechte bijstand aan appellanten verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4274 WWB, 13/4275 WWB

Datum uitspraak: 9 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

4 juli 2013, 13/252 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] en [appellant], beiden te [woonplaats] (appellanten)

Het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijk Sociale Dienst van de gemeenten

Aa en Hunze, Assen en Tynaarloo (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L.J. Meijering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 29 juli 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 12 december 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellanten zijn meerderjarige vreemdelingen van Iraakse nationaliteit en hebben drie minderjarige kinderen. Op 2 mei 2011 heeft de toenmalige minister van Immigratie en Asiel besloten om de aan appellanten verleende verblijfvergunningen asiel in te trekken. Tegen deze besluiten is beroep ingesteld. Op 23 december 2011 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage de beroepen ongegrond verklaard. Het hiertegen op 6 september 2012 ingestelde hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Bij besluit van 27 september 2012 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellanten per 23 december 2011 ingetrokken en een bedrag van € 11.099,39 aan gemaakte kosten van bijstand over de periode van 23 december 2011 tot 1 september 2012 van appellanten teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 15 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 27 september 2012 ongegrond verklaard. Daaraan ten grondslag ligt de overweging dat appellanten met ingang van 23 december 2011 niet langer over een geldig verblijfsdocument beschikken, waarmee het recht op bijstand is komen te vervallen. Nu appellanten dit niet tijdig aan het dagelijks bestuur hebben gemeld is over de periode van 23 december 2011 tot en met 1 september 2012 ten onrechte bijstand aan appellanten verstrekt.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen deze uitspraak gekeerd en - kort weergegeven - aangevoerd dat nu het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) niet bevoegd is te oordelen omtrent de continuering van de bijstand en het dagelijks bestuur, noch de rechtbank in de onderhavige zaak acht hebben geslagen op het belang van de kinderen, er sprake is van schending van bepaalde artikelen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat geen afzonderlijke beroepsgronden zijn aangevoerd tegen de grondslag van het bestreden besluit, te weten het intrekken van het recht op bijstand wegens het ontbreken van een geldig verblijfsdocument en het niet nakomen van de inlichtingenverplichting en tegen de terugvordering. Dit houdt in dat enkel ter beoordeling staat of met het betreden besluit de door appellanten genoemde verdragsrechtelijke bepalingen zijn geschonden.

4.2.

Niet in geding is dat appellanten vanaf 23 december 2011 geen vreemdelingen zijn in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan vallen appellanten onder artikel 16, tweede lid, van de WWB en kan aan hen zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend.

4.3.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in de uitspraak van 22 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU6844, kan, indien ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, dit niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven. Het beroep van appellanten op artikel 3 van het IVRK faalt eveneens, nu, zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 november 2012, ECLI:NLCRVB:2012:BY3139), deze verdragsbepaling geen bepaling vormt die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2014.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) S.W. Munneke

HD