Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
13-6588 WWB-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Intrekking bijstand. Bezit onroerend goed in buitenland. Nieuwe aanvraag. Bewijs eigendomsovergang. Naar Turks recht bewijst de verkrijger na een eigendomsovergang met een ‘tapu senedi’ op een bepaalde datum eigenaar van een bepaalde onroerende zaak te zijn geworden. Dit betekent, anders dan de Raad in de uitspraak uit 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO6528) heeft overwogen, dus ook dat de vervreemder naar Turks recht met een ‘tapu senedi’ kan bewijzen met ingang van die datum niet langer eigenaar te zijn.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 34
Wet werk en bijstand 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/329 met annotatie van H.W.M. Nacinovic
NJB 2014/1692
RSV 2014/248
JWWB 2014/244
AB 2014/401

Uitspraak

13/6588 WWB-T, 14/1374 WWB-T

Datum uitspraak: 2 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 december 2013, 13/995 en 13/4649 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Aanwezig was M.A. Budok als tolk in de Turkse taal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Baltus.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 11 maart 1994 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In 2011 heeft de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Schiedam (afdeling Werk en Inkomen) de pilot “Procesgestuurd Onderzoek Vermogen in het Buitenland” gestart. In dat kader heeft de afdeling Werk en Inkomen op 28 december 2011 het Internationaal Bureau Fraude (IBF) verzocht om onderzoek te doen naar mogelijk bezit van onroerende zaken in Turkije. In verband daarmee heeft het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade te Ankara (ambassade) een onderzoek verricht. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 februari 2012. Dat vermeldt dat sinds 18 juli 1997 in de gemeente[gemeente] een stuk grond van 475 m² (stuk grond) op naam van appellante staat geregistreerd. Op 8 februari 2012 is de waarde van het stuk grond door een lokale taxateur geschat op € 12.000,-.

1.3.

Vervolgens heeft de sociale recherche van de gemeente Schiedam (sociale recherche) een nader onderzoek ingesteld. De sociale recherche heeft in dat kader dossieronderzoek verricht en appellante op 4 april 2012 gehoord. Voorts heeft de sociale recherche appellante gevraagd om nadere informatie. Appellante heeft een aantal documenten en vertalingen daarvan overgelegd. De sociale recherche heeft de bevindingen van dit onderzoek neergelegd in een rapport van 22 juni 2012.

1.4.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 14 augustus 2012 de bijstand met ingang van 1 juni 2012 beëindigd (lees: ingetrokken). Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen recht heeft op bijstand omdat zij beschikt over een vermogen in het buitenland, waarvan de waarde hoger is dan de voor haar toepasselijke vermogensgrens.

1.5.

Op 19 september 2012 heeft appellante bij het college een aanvraag om bijstand ingediend en een aantal documenten overgelegd met betrekking tot het stuk grond. Appellante heeft desgevraagd nog een aantal documenten overgelegd met betrekking tot het stuk grond.

1.6.

Bij besluit van 22 januari 2013 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 augustus 2012 ongegrond verklaard.

1.7.

Bij besluit van 6 maart 2013 heeft het college de aanvraag van 19 september 2012 afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat bij besluit van 14 augustus 2012 appellantes eerdere recht op bijstand is beëindigd op de grond dat zij een stuk grond in Turkije in haar bezit had met een waarde van € 12.000,-. Appellante heeft nu onvoldoende aangetoond dat zij dat heeft verkocht en op welke wijze zij het vermogen heeft aangewend. In het bijzonder acht verweerder de door appellante gestelde verkoop aan[naam] op 14 augustus 2012 niet aannemelijk, omdat de overgelegde akte niet authentiek is.

1.8.

Bij besluit van 18 juni 2013 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 maart 2013 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover nu nog van belang, overwogen dat appellante geen objectieve en verifieerbare gegevens heeft overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat zij het stuk grond op 14 augustus 2012 voor 13.000,- YTL aan [naam] heeft verkocht. De ‘tapu senedi’, die appellante bij de aanvraag heeft overgelegd, is niet voorzien van de pasfoto’s en handtekeningen van de bij de transactie betrokken partijen en kan daarom niet gelden als een rechtsgeldig bewijs van eigendomsoverdracht zoals een ‘resmi senet’. De rechtbank heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Raad van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6528 (uitspraak van 2010). Dit betekent dat appellante nog steeds over het stuk grond beschikt. Daarom is de bijstand terecht ingetrokken en is op de nieuwe aanvraag terecht afwijzend beslist.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 31 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8214 (uitspraak van 2009), dat de rechtbank ten onrechte als bewijs van eigendomsoverdracht overlegging van een document verlangt dat voldoet aan de eisen van een ‘resmi senet’. Appellante betoogt dat zij ten bewijze van overdracht van eigendom naar Turks recht kan volstaan met overlegging van een ‘tapu senedi’. Zij heeft daartoe verwezen naar het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut van 18 augustus 2009

(IJI-rapport) waarop de Raad zijn uitspraak van 2009 gebaseerd heeft. Appellante heeft het IJI-rapport overgelegd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De door de bestuursrechter te beoordelen periode met betrekking tot bestreden besluit I betreft de periode van 1 juni 2012 tot en met 14 augustus 2012 (periode I). Met betrekking tot bestreden besluit II betreft dit de periode van 19 september 2012 tot en met 6 maart 2013 (periode II).

4.2.

Niet meer in geschil is dat het stuk grond vanaf 18 juli 1997 tot 14 augustus 2012 op naam van appellante in Turkije geregistreerd stond en dat zij over het stuk grond kon beschikken. Nu uit de stelling van appellante volgt dat zij op 14 augustus 2012 het stuk grond heeft vervreemd, volgt ook dat zij op 14 augustus 2012 over het stuk grond kon beschikken. Dit betekent dat appellante gedurende periode I beschikte over het stuk grond. Het bestreden besluit I dat daarop steunt, houdt dus stand.

4.3.

Bij een nieuwe aanvraag na intrekking van een periodieke bijstandsuitkering ligt het op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. In geschil is of appellante hierin geslaagd is met de overgelegde ‘tapu senedi’.

4.4.

Zoals de Raad eerder in de uitspraak van 2009 heeft overwogen leidt de Raad ook nu uit het IJI-rapport en daarbij behorende bijlagen en daaraan ten grondslag liggende bronnen af dat voor een geldige eigendomsoverdracht van een onroerende zaak naar Turks recht op basis van een overeenkomst vereist is dat de vervreemder en de verkrijger voor de bewaarder van het eigendomsregister van onroerende zaken (eigendomsregister) een akte ondertekenen, welke akte vervolgens in de registers van het eigendomsregister wordt geregistreerd. Deze akte, genaamd ‘resmi senet’, is voorzien van de pasfoto’s en de handtekeningen van de vervreemder en de verkrijger. Uit het IJI-rapport en de daaraan ten grondslag liggende bronnen kan voorts worden afgeleid dat de ‘resmi senet’ in een dagboek wordt opgenomen en genummerd. In het eigendomsregister wordt onder verwijzing naar het nummer in het dagboek van de ‘resmi senet’ onder meer de naam van de nieuwe eigenaar ingeschreven en die van de oude eigenaar met rode inkt doorgehaald. Uit het IJI-rapport en de daaraan ten grondslag liggende bronnen kan echter niet worden afgeleid dat de partijen bij de transactie door de bewaarder van het eigendomsregister in het bezit moeten worden gesteld van een kopie van de ‘resmi senet’ of dat partijen recht hebben op afgifte van een kopie van de ‘resmi senet’. Dit sluit niet uit dat een partij toch beschikt over een kopie van de ‘resmi senet’, zoals uit de bijlagen bij het IJI-rapport blijkt. Wel kan uit dat rapport en de daaraan ten grondslag liggende bronnen worden afgeleid dat de verkrijger na de transactie een ‘tapu senedi’, een uittreksel uit het eigendomsregister, tevens verkorte weergave van de transactie, ontvangt, dat naar Turks recht als bewijs van zijn eigendom fungeert. Deze ‘tapu senedi’ vermeldt onder meer de datum van de transactie en het nummer in het dagboek van het eigendomsregister, de locatie en de omvang van de onroerende zaak en de naam van de vervreemder en de verkrijger, soms ook de geregistreerde koopprijs. De ‘tapu senedi’ draagt een stempel en de naam van de bewaarder van het eigendomsregister en diens handtekening. Soms draagt de ‘tapu senedi’ de pasfoto van de verkrijger, maar nooit die van de vervreemder. Aan de vervreemder wordt een zelfde document uitgereikt. Indien eigendomsovergang plaatsvindt anders dan op basis van een overeenkomst, wordt geen ‘resmi senet’ opgemaakt. Het stuk dat de eigendomsovergang rechtvaardigt, bijvoorbeeld een rechterlijke uitspraak, wordt dan geregistreerd. Ook dan wordt ten bewijze van de eigendomsovergang een ‘tapu senedi’ aan de verkrijger en vervreemder afgegeven. Dit betekent dus dat met de gegevens weergegeven op de ‘tapu senedi’ de ‘resmi senet’ of een ander de eigendomsovergang rechtvaardigend document in het dagboek van het eigendomsregister kan worden teruggevonden en dat de juistheid en de actualiteit van de ‘tapu senedi’ ten aanzien van de eigendomssituatie in het eigendomsregister kan worden gecheckt.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat naar Turks recht de verkrijger na een eigendomsovergang met een ‘tapu senedi’ bewijst op een bepaalde datum eigenaar van een bepaalde onroerende zaak te zijn geworden. Dit betekent, anders dan de Raad in de uitspraak uit 2010 heeft overwogen, dus ook dat de vervreemder naar Turks recht met een ‘tapu senedi’ kan bewijzen met ingang van die datum niet langer eigenaar te zijn. Het ontbreken van een foto van de verkrijger op de ‘tapu senedi’ hoeft daaraan niet in de weg te staan, zo volgt uit 4.4. Die foto dient immers ter identificatie van de nieuwe rechthebbende en zal voor diens legitimatie als eigenaar tegenover derden van belang zijn. Voor degene die niet langer rechthebbende is, heeft de pasfoto van de verkrijger in het algemeen voor zijn bewijsdoeleinden geen toegevoegde waarde.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat verweerder en de rechtbank ten onrechte uit de uitspraak van de Raad van 2009 hebben afgeleid dat alleen met (een kopie van) het document dat noodzakelijk is om naar Turks recht een rechtsgeldige eigendomsoverdracht van onroerend goed op basis van overeenkomst te bewerken (de ‘resmi senet’) kan worden bewezen dat die eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden. Nu het hier immers gaat om eigendomsoverdracht van een in Turkije gelegen onroerende zaak dienen in dit geschil geen andere of hogere eisen aan het bewijs van dat rechtsfeit te worden gesteld dan naar Turks recht vereist zijn. Hieruit volgt dat het bestreden besluit II in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet berust op een deugdelijke motivering.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het college het recht op bijstand in de te beoordelen periode II opnieuw zal moeten beoordelen. Aan die beoordeling kan het college niet ten grondslag leggen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 14 augustus 2012 het stuk grond heeft overgedragen, omdat de overgelegde stukken niet voldoen aan de eisen die gesteld worden aan een ‘resmi senet’. Het staat het college evenwel vrij om te onderzoeken of de overgelegde ‘tapu senedi’ ook in de te beoordelen periode II een juiste en actuele weergave is van de daarin genoemde eigendomsverhouding ten aanzien van het stuk grond. Indien het college tot de conclusie komt dat appellante in de te beoordelen periode II geen eigenaar is van het stuk grond, komt het te staan voor de vraag welke betekenis toekomt aan overdracht van het stuk grond aan de zoon van appellante op 14 augustus 2012 en aan de daarvoor gestelde ontvangen tegenprestatie, als ook aan de stelling van appellante dat zij in de te beoordelen periode II reeds zover had ingeteerd op het ontvangen bedrag dat haar vermogen geen beletsel voor bijstandsverlening in de te beoordelen periode II kan zijn. Daarbij is intussen van belang dat appellante in hoger beroep niet het oordeel van de rechtbank heeft aangevochten dat het college mag uitgaan van de door het IBF op 8 februari 2012 getaxeerde waarde van het stuk grond van € 12.000,-.

4.8.

Met het oog op definitieve geschillenbeslechting ziet de Raad aanleiding om het college op te dragen het in 4.6 geconstateerde gebrek in bestreden besluit II te herstellen door binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5.

De beslissing op het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover die ziet op het bestreden besluit I, zal gegeven worden bij einduitspraak.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 18 juni 2013 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.T.P. Pot

HD