Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2943

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
13-619 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Niet woonachtig op het uitkeringsadres. Verklaring van dochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/619 WWB, 13/621 WWB, 13/2764 WWB

Datum uitspraak: 2 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 december 2012, 12/2811 en 12/2812, zoals gerectificeerd bij uitspraken van

17 januari 2013 en 18 februari 2013 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [plaats 2] (appellante) en [appellant] te [woonplaats 2] (Duitsland) (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [plaats 2] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. F. Hoppe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten en het college hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. R.M. Conijn, advocaat en kantoorgenoot van mr. Hoppe. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roodhorst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 21 november 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft vier kinderen, waarvan de twee jongste kinderen uit de relatie met appellant zijn geboren. In de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat appellante sinds 30 mei 2011 ingeschreven op het adres [tweede adres 2] (tweede adres). In de periode van

18 augustus 1986 tot 30 mei 2011 stond appellante ingeschreven op het adres

[eerste adres] (eerste adres).

1.2.

Nadat uit Suwinet was gebleken dat appellante in augustus 2010 werkzaamheden had verricht bij werkgever[naam bedrijf] in [plaats 1], heeft de consulent van appellante contact opgenomen met [naam bedrijf]. Namens [naam bedrijf] is medegedeeld dat appellante samenwerkte met appellant, die bij[naam bedrijf] eveneens bekend was op het adres van appellante. Uit het administratief onderzoek van de afdeling Handhaving van de gemeente [plaats 2] is vervolgens het vermoeden ontstaan dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren en niet verblijven op het opgegeven adres van appellante, maar op een onbekend adres in Duitsland. Hierop heeft de Sociale Recherche Gooi en Vechtstreek (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek verricht, informatie ingewonnen bij diverse instanties en waarnemingen en observaties verricht. De woning van appellante is doorzocht en de aldaar aangetroffen administratieve bescheiden zijn in beslag genomen en nader onderzocht. De sociale recherche heeft meerdere getuigen gehoord, waaronder buurtbewoners uit de omgeving van het eerste en tweede adres en de oudste dochter van appellante. Appellante en appellant zijn op 19, 20 en 21 juli 2011 verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 augustus 2011.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

13 oktober 2011 de bijstand van appellante over de periode van 21 november 2006 tot en met 13 oktober 2011 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van

21 november 2006 tot en met 30 juni 2011 tot een bedrag van € 78.028,79 van appellante terug te vorderen. Bij afzonderlijk besluit van 13 oktober 2011 heeft het college die kosten mede van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 1 mei 2012 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 oktober 2011 ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk besluit van 1 mei 2012 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 oktober 2011 gegrond verklaard en bepaald dat de gemaakte kosten van aan appellante verleende bijstand over de periode van 1 oktober 2009 tot en met 30 juni 2011 mede van appellant worden teruggevorderd. Aan de bestreden besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in de periode van 21 november 2006 tot 1 oktober 2009 niet haar hoofdverblijf in de gemeente [plaats 2] heeft gehad en zij dit niet heeft gemeld aan het college. Vanaf 1 oktober 2009 hebben appellanten hun hoofdverblijf gehad op de in 1.1 genoemde adressen van appellante in [plaats 2]. In aanmerking genomen dat uit hun relatie twee kinderen zijn geboren, wordt een gezamenlijke huishouding aanwezig geacht. Appellante heeft haar inlichtingenverplichting geschonden door daarvan geen melding te maken.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand gelaten voor zover het betreft de intrekking van de bijstand van appellante over de perioden van 1 maart 2007 tot 1 oktober 2009 en van

1 maart 2010 tot en met 30 juni 2011, en het college opgedragen met inachtneming van de aangevallen uitspraak opnieuw op de bezwaren van appellanten te beslissen ten aanzien van de terugvordering en de medeterugvordering. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellanten kunnen worden gehouden aan de door hen tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen. Appellante heeft verklaard dat zij in maart 2007 naar Duitsland is vertrokken om bij appellant te gaan wonen, welke verklaring wordt ondersteund door de verklaring van haar dochter. Het college was dan ook eerst met ingang van 1 maart 2007 bevoegd de bijstand in te trekken. Uit de verklaringen van appellanten volgt verder dat appellante in oktober 2009 weer uit Duitsland is teruggekeerd naar [plaats 2], maar dat appellant pas in maart 2010 bij haar is komen wonen op het eerste adres. Gelet op de verklaringen van appellanten en van de dochter van appellante acht de rechtbank aannemelijk dat appellanten vanaf maart 2010 een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren in de woningen van appellante.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante betwist dat zij haar hoofdverblijf buiten de gemeente [plaats 2] heeft gehad en appellanten betwisten dat zij een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.

Het college heeft bij besluit van 14 maart 2013 (nader besluit), voor zover hier van belang, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak de bezwaren tegen de besluiten van 13 oktober 2011 gegrond verklaard en de over de perioden van 1 maart 2007 tot 1 oktober 2009 en van

1 maart 2010 tot en met 30 juni 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 65.497,95 van appellante teruggevorderd. Tevens zijn de over de periode van 1 maart 2010 tot en met 30 juni 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 23.012,31 mede van appellant teruggevorderd. Het nader besluit wordt, gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De besluiten tot intrekking en (mede-)terugvordering van bijstand zijn voor appellanten belastende besluiten, zodat het aan het college is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren.

5.2.

Appellanten hebben aangevoerd dat de intrekking en terugvordering van bijstand moet worden aangemerkt als een punitieve sanctie en op het college een strenge bewijslast rust. Deze grond slaagt niet. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen (uitspraak van

11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2410) kan de rechtsfiguur van intrekking van bijstand niet worden beschouwd als een punitieve of bestraffende sanctie maar moet die gezien worden als een op herstel gerichte maatregel, omdat daarmee wordt beoogd de toekenning van bijstand aan een belanghebbende die volgens het bijstandverlenend orgaan geen recht op bijstand (meer) heeft, geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken. Daarom wordt een zwaardere dan gebruikelijke bewijsmaatstaf niet verlangd. Dat de schending van de inlichtingenverplichting als zodanig ook een strafbaar feit oplevert, betekent niet dat het bestuursorgaan gehouden is aan de betrokkene, die in het kader van een onderzoek dat uitsluitend erop is gericht het recht op bijstand (nader) vast te stellen of te herbeoordelen een verklaring aflegt, bescherming en waarborgen te bieden als ware hij een verdachte in strafrechtelijke zin.

5.3.

De beroepsgrond van appellanten dat de doorzoeking mogelijk niet rechtmatig is, omdat daarbij een niet-geïdentificeerde persoon aanwezig is geweest, zal de Raad onbesproken laten. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat naar het oordeel van de rechtbank de door appellanten en door de dochter van appellante afgelegde verklaringen voldoende feitelijke grondslag bevatten voor de door het college getrokken conclusies. De doorzoeking en de daarbij aangetroffen en in beslag genomen bescheiden hebben daarbij geen rol gespeeld.

5.4.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat zij niet kunnen worden gehouden aan de door hen afgelegde verklaringen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak

26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken.

5.4.1.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar verklaringen niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Van belang is dat appellante haar verklaringen na lezing, per pagina heeft ondertekend. De verklaring van appellante is gedetailleerd en consistent. De stelling van appellante, samengevat, dat waar zij spreekt over ‘wij’ zou moeten worden gelezen “zij, haar dochter [dochter]”, komt geheel niet logisch voor. In haar verklaringen heeft appellante niet enkel over ‘wij’ gesproken, maar uitgebreid en gedetailleerd verklaard over haarzelf, appellant, haar andere kinderen en ook over haar dochter [dochter].

5.4.2.

Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij zijn verklaringen niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. De beroepsgrond dat appellant vanwege zijn medicijngebruik niet in staat was een verklaring af te leggen, is niet aannemelijk gemaakt. Uit de processen-verbaal van verhoor van 19 en 21 juli 2011 blijkt dat bij de sociaal rechercheurs bekend was dat appellant medicijnen gebruikte. Het verhoor van 19 juli 2011 is na de mededeling van appellant dat hij nog zat te wachten op bepaalde medicatie beëindigd. Tijdens het tweede verhoor op 21 juli 2011 heeft appellant kenbaar gemaakt dat hij zich niet goed voelde, waarna het verhoor is onderbroken en de arrestantenzorg is geïnformeerd over de gesteldheid van appellant. Appellant is voordat het verhoor is voortgezet aangeboden een arts te raadplegen. Appellant heeft daarop verklaard dat hij net zijn pijnstillers had ingenomen, aan zou geven als het niet ging en het niet nodig vond een arts te raadplegen. Appellant heeft vervolgens een gedetailleerde en consistente verklaring afgelegd. Ook tijdens zijn derde verhoor, eveneens op 21 juli 2011, heeft appellant gedetailleerd verklaard. Van belang is verder dat ook appellant zijn verklaringen na lezing, per pagina heeft ondertekend. Appellanten hebben geen klacht ingediend tegen de rechercheurs over de wijze van verhoren.

5.4.3.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat de dochter van appellante onder druk is gezet tijdens het horen en dat dit horen door slechts één ambtenaar is afgenomen, zodat aan haar verklaring geen gewicht toekomt. Deze grond van appellanten slaagt niet. Geen aanleiding bestaat te twijfelen aan het op ambtseed, respectievelijk ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal waaruit blijkt dat de dochter door twee sociaal rechercheurs is gehoord. Volgens de op 18 juni 2013 door de rechter-commissaris in de strafzaak van appellant gehoorde getuige [getuige] die gedurende het horen buiten op de dochter van appellante wachtte, duurde het horen minder dan een uur. Hij heeft een man, vermoedelijk één van de sociaal rechercheurs naar buiten zien komen, die tien of vijftien minuten buiten is geweest, na enige tijd weer naar binnen ging, waarna de dochter van appellante na vijf minuten met beide sociaal rechercheurs naar buiten kwam. Hieruit is niet af te leiden dat het horen door slechts één van de sociaal rechercheurs is gedaan. Ook de dochter van appellante is op 18 juni 2013 door de rechter-commissaris in de strafzaak van appellant gehoord en heeft over het horen door de sociaal rechercheurs onder meer verklaard dat beide sociaal rechercheurs vragen stelden. Zij weet niet meer op welk moment één van de sociaal rechercheurs naar buiten is gegaan. Wel heeft zij tegenover de rechter-commissaris verklaard dat zij haar eigen verklaring heeft gelezen en ondertekend. Op de vraag welke dingen niet kloppen in haar verklaring heeft zij geen concreet antwoord gegeven en op nadere vragen van de rechter-commissaris heeft zij zich op haar verschoningsrecht beroepen.

6.1.

Het college heeft aan de intrekking en terugvordering over de periode van 1 maart 2007 tot 1 oktober 2009 ten grondslag gelegd dat appellante geen woonplaats had in de gemeente [plaats 2].

6.2.

De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te vertrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

6.3.1.

Appellante heeft tijdens het verhoor op 20 juli 2011 verklaard dat appellant de vader is van haar twee jongste kinderen. Appellanten zijn in 2004 in [plaats 3] gaan samenwonen. In het voorjaar van 2006 zijn zij verhuisd naar [plaats 4]. Na de verjaardag van haar jongste dochter op 21 oktober 2006 is zij teruggegaan naar haar flat in [plaats 2]. Appellant is in januari 2007 naar Duitsland gegaan en belde in maart 2007 of zij naar Duitsland wilde komen voor de honden. Zij is toen met haar jongste dochter naar Duitsland vertrokken om bij appellant te gaan wonen. In oktober 2007 is de zoon van appellanten geboren. In november 2007 heeft appellante ook haar oudere dochter [dochter] naar Duitsland meegenomen, die daar naar school is gegaan. Appellante heeft verder verklaard dat zij problemen had met het Jugendambt in Duitsland. In september 2008 kwamen medewerkers van het Jugendambt naar hun huis in [plaats 5], op welk moment appellanten thuis waren maar de twee jongste kinderen bij de ouders van appellante in [plaats 2] verbleven. Toen de vereiste aanpassingen aan de woning van appellanten in [plaats 5] waren uitgevoerd, is zij eind september 2008 weer met de twee jongste kinderen terug naar Duitsland gegaan. Appellanten hebben tot en met januari 2009 in[plaats 5]gewoond en zijn toen verhuisd naar [plaats 6]. In oktober 2009 werd de jongste dochter van appellanten vier jaar en is appellante met haar twee jongste kinderen terug naar [plaats 2] gegaan.

6.3.2

Appellant heeft tijdens het verhoor op 21 juli 2011 verklaard dat hij met appellante heeft samengewoond in [plaats 3] en vervolgens met haar naar [plaats 4] is verhuisd. Appellante is op enig moment teruggegaan naar [plaats 2] en hij is alleen naar Duitsland gegaan. Appellante was daar vaak op wisselende dagen. In die periode was zij ook zwanger van de zoon van appellanten. Over zijn verblijf in Duitsland wil appellant voor de rest niet praten.

6.3.3.

De oudste dochter van appellante heeft op 20 juli 2011 verklaard dat appellanten eerst in [plaats 3] en later in [plaats 4] hebben gewoond en daarna de grens zijn overgegaan naar Duitsland. Appellanten hebben samen twee kinderen. Appellanten zijn samen met de jongste dochter naar Duitsland gegaan. In Duitsland is de zoon van appellanten geboren. In Duitsland zijn appellanten volgens de dochter van appellante twee keer verhuisd en hebben zij gewoond in [plaats 6]. De dochter van appellante denkt dat appellante en de twee jongste kinderen rond de zomer in 2009 terug kwamen naar Nederland. Zij kwamen terug omdat de jongste dochter naar school moest.

6.4.

Het standpunt van het college dat appellante in de periode van 1 maart 2007 tot 1 oktober 2009 haar woonplaats niet in de gemeente [plaats 2] had, vindt behalve in de in 6.3 genoemde verklaringen ook steun in een brief van 18 juni 2008 van de Raad voor de Kinderbescherming waaruit blijkt dat dochter [dochter] in een periode niet naar school is geweest. Uit de brief blijkt verder dat de Raad voor de Kinderbescherming geen contact met appellante heeft kunnen krijgen, omdat appellante niet reageerde op een uitnodigingsbrief en telefonisch contact geen resultaat opleverde. In de brief is verder vermeld dat [dochter] en haar moeder volgens de jeugdagent reeds vier maanden in Duitsland zouden verblijven.

6.5.

De grond dat uit de door appellante overgelegde bankafschriften blijkt dat zij in de hier te beoordelen periode [plaats 2] woonde, slaagt niet. Op deze bankafschriften zijn weliswaar betalingen in of in de buurt van [plaats 2] te zien, maar er zijn eveneens perioden van weken tot een maand dat er geen transacties te zien zijn. De omstandigheid dat appellante betalingen heeft verricht in of in de buurt van [plaats 2] wil nog niet zeggen dat zij daar ook daadwerkelijk woonde. Appellante heeft bovendien tijdens het verhoor verklaard dat zij regelmatig naar [plaats 2] terug ging, omdat zij haar twee oudste dochters daar had achter gelaten. Daarbij komt dat appellante naast de bankrekening waarvan zij afschriften heeft verstrekt over meerdere bankrekeningen beschikte, zodat de overgelegde bankafschriften geen volledig beeld geven.

6.6.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.1 tot en met 6.5 is overwogen, had appellante in de hier te beoordelen periode niet haar woonplaats in de gemeente [plaats 2], zodat zij jegens het college geen recht op bijstand had.

7.1.

Het college heeft aan de intrekking van de bijstand over de periode van 1 maart 2010 tot en met 30 juni 2011 ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

7.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaats gevonden van een kind van de een door de ander.

7.3.

Vaststaat dat uit de relatie van appellanten twee kinderen zijn geboren, zodat voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend is of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

7.4.

De rechtbank heeft terecht zwaarwegende betekenis toegekend aan de verklaringen die appellanten ten overstaan van de sociaal rechercheurs hebben afgelegd. Niet in geschil is dat appellante in oktober 2009 weer in Nederland is komen wonen in verband met het feit dat haar jongste dochter naar school moest. Uit de verklaringen van appellanten blijkt dat appellant later naar Nederland is gekomen en bij appellante op het eerste adres is ingetrokken, dat appellant sinds hij terug is bij appellante heeft verbleven en dat zij gezamenlijk zijn verhuisd naar het tweede adres. Appellant heeft tijdens het verhoor van 21 juli 2011 verklaard dat hij in februari 2010 is teruggekeerd naar Nederland. Appellante heeft verklaard dat hij in maart 2010 definitief terug is gekomen naar [plaats 2].

7.5.

De verklaringen van appellanten vinden daarnaast steun in de verklaring van de oudste dochter van appellante. Zij heeft eveneens verklaard dat appellant in maart 2010 uit Duitsland is teruggekomen en toen weer bij haar moeder is ingetrokken op het eerste adres. Vanaf maart 2010 wonen appellanten weer samen en in 2011 zijn appellanten met de twee jongste kinderen verhuisd naar het tweede adres.

7.6.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante in de periode van 1 maart 2010 tot en met

30 juni 2011. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor het voeren van een gezamenlijke huishouding.

7.7.

Omdat appellanten in de periode van 1 maart 2010 tot en met 30 juni 2011 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en appellante daarvan geen opgave heeft gedaan aan het college, was het college bevoegd de bijstand van appellante over die periode in te trekken.

8.

Appellanten hebben verder geen beroepsgronden aangevoerd tegen de (mede)terugvordering.

9.

Het college heeft ter zitting erkend dat aan appellanten bij het nader besluit ten onrechte geen kosten van bezwaar zijn vergoed. Deze grond van appellanten slaagt dan ook. De besluiten van 13 oktober 2011 zijn immers niet gehandhaafd op grond van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, zodat deze kosten op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

10.1.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd voor zover aangevochten.

10.2.

Gelet op wat in 9 is overwogen kan het nader besluit voor zover daarbij geen vergoeding voor de kosten van bezwaar is toegekend, niet in stand blijven en bestaat voorts aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in hoger beroep. Nu sprake is van samenhangende zaken worden deze kosten voor appellanten gezamenlijk begroot op

€ 974,- in bezwaar en op € 974,- in hoger beroep, derhalve in totaal op € 1.984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 14 maart 2013 gegrond;

- vernietigt het besluit van 14 maart 2013 voor zover daarbij geen vergoeding van

bezwaarkosten is toegekend;

- bepaalt dat het college de kosten van appellanten vergoedt tot een bedrag van € 1.948,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en

G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2014.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD