Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
13-214 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant behoort op grond van het bepaalde bij en krachtens artikel 5 van de AWBZ niet tot de kring van verzekerden ingevolge de AWBZ, omdat op hem het in artikel 5, tweede lid, van de AWBZ neergelegde koppelingsbeginsel van toepassing is. Dit betekent dat hij aan de AWBZ geen recht kan ontlenen op de in die wet verzekerde prestaties. Geen sprake van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/214 AWBZ

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 december 2012, 12/2902 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Agis zorgverzekeringen N.V. (Agis)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Agis heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2014. Voor appellant is mr. Fischer verschenen. Agis heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Punt.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is op 10 april 1970 geboren in Iran en is sinds 1998 in Nederland. Van 2005 tot 2007 was appellant dakloos, waarna hij vanaf 2007 is opgevangen door Stichting Op de Rots te Amsterdam. Appellant had geen verblijfstitel in Nederland en is in 2004 ongewenst verklaard. Bij besluit van 15 februari 2013 is appellant een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) verleend, met ingang van 19 september 2012 en geldig tot 19 september 2017.

1.2.

Bij besluit van 25 november 2011 heeft het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) appellant in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de periode van 16 oktober 2011 tot en met 15 oktober 2012 geïndiceerd voor de zorgfuncties Begeleiding individueel voor 2 tot 3,9 uur per week en Begeleiding groep voor 5 dagdelen per week. Appellant heeft Agis vervolgens verzocht de geïndiceerde zorg te realiseren op grond van het bepaalde bij en krachtens de AWBZ.

1.3.

Bij besluit van 1 februari 2012 heeft Agis de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet verzekerd is ingevolge artikel 5 van de AWBZ.

1.4.

Bij besluit van 11 mei 2012 (bestreden besluit) heeft Agis het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 februari 2012 ongegrond verklaard. Agis heeft daarbij van belang geacht dat uit artikel 5, tweede lid, van de AWBZ volgt dat appellant niet verzekerd is ingevolge de AWBZ. Volgens Agis levert het onthouden van de geïndiceerde zorg geen schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op. Daarbij is gewezen op de in artikel 122a van de Zorgverzekeringswet (Zvw) neergelegde vergoedingsregeling. Deze regeling wordt uitgevoerd door het College voor zorgverzekeringen (CVZ). Zij houdt in dat voor door zorgaanbieders geboden zorg aan in betalingsonmacht verkerende niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen voorzien is in een financiële vergoeding.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

6 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7703, heeft de rechtbank geoordeeld dat de vergoedingsregeling van artikel 122a van de Zvw van belang is voor de beoordeling van het beroep op artikel 8 van het EVRM van appellant. Artikel 122a van de Zwv voorziet in een nagenoeg volledige vergoeding van de kosten van de zorgaanbieder om medisch noodzakelijke hulp te verlenen. Met de invoering van het betalingssysteem van artikel 122a van de Zvw is beoogd te voldoen aan de verdragsverplichtingen die Nederland heeft. Niet gebleken is dat dit systeem in zijn algemeenheid de toegankelijkheid van medisch noodzakelijke zorg aan de hier bedoelde doelgroep niet faciliteert.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Onder verwijzing naar de voornoemde uitspraak van 6 juni 2012 en de uitspraak van

4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2043, overweegt de Raad met betrekking tot de afwijzing van de aanvraag tot realisering van de in het besluit van CIZ van 25 november 2011 geïndiceerde zorg als volgt.

4.2.

Met de invoering van de Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland (Stb.1998, 203), de zogenaamde Koppelingswet, op 1 juli 1998 is in de sociale verzekeringen het uitgangspunt opgenomen dat de aard van het verblijfsrecht richtinggevend is bij het vestigen en toekennen van aanspraken op collectieve voorzieningen. Appellant behoort op grond van het bepaalde bij en krachtens artikel 5 van de AWBZ niet tot de kring van verzekerden ingevolge de AWBZ, omdat op hem het in artikel 5, tweede lid, van de AWBZ neergelegde koppelingsbeginsel van toepassing is. Dit betekent dat hij aan de AWBZ geen recht kan ontlenen op de in die wet verzekerde prestaties.

4.3.

Vervolgens rijst de vraag of artikel 5, tweede lid, van de AWBZ in het geval van appellant met een beroep op artikel 8 van het EVRM buiten toepassing dient te blijven. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 22 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8776, heeft overwogen merkt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als “the very essence” van het EVRM aan. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Indien er omstandigheden zijn die tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven onmogelijk wordt gemaakt (EHRM 3 mei 2001, Domenech Pardo tegen Spanje, nr. 55996/00), kan er sprake zijn van een zodanige aantasting van de “very essence” van artikel 8 van het EVRM dat er een positieve verplichting op de Staat berust om de situatie in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van het EVRM opgenomen waarborg. Daarbij is wel van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen.

4.4.

De Raad stelt voorop dat het koppelingsbeginsel de toegang van vreemdelingen tot de openbare gezondheidszorg ongeacht hun verblijfspositie geheel onverlet laat. Een belemmering zou gelegen kunnen zijn in de bekostiging van deze in beginsel toegankelijke zorg. In artikel 122a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Zvw is bepaald, dat het CVZ bijdragen verstrekt aan zorgaanbieders die inkomsten derven ten gevolge van het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan vreemdelingen als bedoeld in artikel 10 van de Vw. In het vierde lid van artikel 122a van de Zvw is bepaald op welke wijze de bijdrage wordt verstrekt voor de zorg die doorgaans zonder verwijzing, recept of zonder indicatie als bedoeld in de AWBZ wordt verleend. In het vijfde lid van artikel 122a van de Zvw is bepaald dat in bijdragen als bedoeld in het eerste lid voor andere zorg dan de zorg, bedoeld in het vierde lid, wordt voorzien door middel van met het oog op verlening van die zorg tussen het CVZ en zorgaanbieders gesloten overeenkomsten. Hiermee heeft de wetgever beoogd medisch noodzakelijke zorg (uit het zorgpakket van de verzekering ingevolge de AWBZ en de Zvw) voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 10 van de Vw toegankelijk te maken door ingeval van betalingsonmacht van de vreemdeling op grond van artikel 122a van de Zvw een financieringsregeling te treffen die voorziet in een nagenoeg volledige vergoeding van de kosten van de zorgaanbieder aan een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling geboden zorg. Daarbij is de wetgever uitgegaan van het bestaan van een zorgplicht van de zorgaanbieder om medisch noodzakelijke hulp te verlenen (Kamerstukken II 2007/2008,

31 249,

nr. 3 p. 4 en 5). De wetgever heeft er niet voor gekozen om deze doelgroep rechtstreeks aanspraken op grond van de Zvw en de AWBZ toe te kennen. Met de invoering van het betalingssysteem van artikel 122a van de Zvw is beoogd te voldoen aan de verdragsverplichtingen die Nederland heeft (Kamerstukken II 2007/2008, 31 249, nr. 7).

4.5.

De Staat heeft daarom uitdrukkelijk gekozen om ter invulling van de verplichtingen die onder meer voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM het in rechtsoverweging 4.2.4 omschreven vergoedingsstelsel van artikel 122a van de Zvw te introduceren. Niet gebleken is dat dit systeem in zijn algemeenheid de toegankelijkheid van medisch noodzakelijke zorg aan de hier bedoelde doelgroep niet faciliteert. Uit het rapport van Berenschot ”Evaluatie van de bijdrageregeling van artikel 122a van de Zorgverzekeringswet” van 7 november 2011 blijkt dat CVZ in april 2011 met 27 AWBZ-instellingen en 40 GGZ-instellingen had gecontracteerd, en dat de Inspectie voor de volksgezondheid nauwelijks tot geen signalen had ontvangen dat de toegankelijkheid van de zorg in het geding is (p. 16 en 18). Deze door de Staat gemaakte keuze valt binnen de ruime “margin of appreciation” die de Staat toekomt waar het gaat om de besteding van publieke middelen.

4.6.

Hieruit vloeit voort dat niet kan worden geoordeeld dat door de weigering van het zorgkantoor om de geïndiceerde zorg te realiseren, de normale ontwikkeling van het privéleven van appellant onmogelijk wordt gemaakt. Van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het EVRM is dan ook geen sprake. Appellant kan zich rechtstreeks wenden tot een zorgverlenende instelling, waarna hij, indien deze instelling geen zorg verleent, de daarvoor geëigende procedure dient te volgen om de zorg alsnog te ontvangen.

4.7.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) G.J. van Gendt

HD