Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2934

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
12-4770 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering AOW-pensioen. Gezamenlijke huishouding. Beroep op contra legem faalt. Geen dingende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4770 AOW, 12/4771 AOW

Datum uitspraak: 22 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

11 juli 2012, 12/1213 en 12/1214 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de Raad heeft plaatsgevonden op
10 januari 2014. Namens appellant is verschenen mr. drs. Schroeder. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

De Raad heeft het onderzoek heropend en de enkelvoudige kamer heeft de behandeling van de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 11 juli 2014. Namens appellant is verschenen mr. drs. Schroeder. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
Van den Berg.



OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is met ingang van augustus 2005 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm van een ongehuwde.

1.2. In juni 2011 heeft de Svb een melding van de gemeente ontvangen dat appellant op
27 mei 2011 is gehuwd met mevrouw [naam]. Uit de gegevens van de gemeente is voorts gebleken dat appellant al sinds 25 november 2008 samenwonend is met haar.

1.3. Bij besluiten van 14 juli 2011 heeft de Svb het aan appellant toegekende AOW-pensioen met ingang van december 2008 herzien naar de norm van een gehuwde en is het over de periode van december 2008 tot en met mei 2011 onverschuldigd betaalde pensioen van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij beslissingen op bezwaar van 5 januari 2012 (bestreden besluiten) is het bezwaar tegen de besluiten van 14 juli 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard en is de hoogte van het terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 9.872,83.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op grond van dringende redenen van herziening moet worden afgezien, ook voor de toekomst. Bepleit is dat de wet in zijn geval contra legem moet worden toegepast. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat de wetgever niet heeft voorzien in een situatie als die waarin hij verkeert. De echtgenote van appellant is slechts voor 2% verzekerd en ontvangt maandelijks € 14,31 aan AOW-pensioen. Appellant en zijn echtgenote ontvangen hierdoor samen minder AOW-pensioen dan toen appellant een pensioen ontving voor een alleenstaande. Dit levert volgens appellant een onbillijke situatie op, die maandelijks voortduurt en door de wetgever niet zo kan zijn bedoeld. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat op grond van dringende redenen de terugwerkende kracht van de herziening en het bedrag van de terugvordering hadden moeten worden beperkt.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven ten aanzien van de herziening van het AOW-pensioen en de terugvordering van het te veel betaalde pensioen.

4.3.

Voorop moet worden gesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant en zijn echtgenote vanaf eind november 2008 een gezamenlijke huishouding voeren. Het geschil spitst zich toe op de vragen of de Svb, op grond van dringende redenen als bedoeld in het tweede lid van artikel 17a van de AOW, had moeten afzien van de herziening, en, of de Svb, op grond van dringende redenen zoals uitgewerkt in het beleid van de Svb, de terugwerkende kracht van de herziening en het bedrag van de terugvordering had moeten beperken.

4.4.

Uit artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de AOW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Volgens de wetsgeschiedenis is het uitgangspunt van artikel 17a van de AOW dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar ook dat daarbij aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, de Svb kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Beroep op contra legem toepassing van de AOW en op dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW

4.5.

Ongehuwde 65-plussers kunnen op grond van de AOW vanouds in aanmerking komen voor een individueel ouderdomspensioen van ten hoogste 70% van het nettominimumloon. Voor gehuwden was de AOW, zoals die in 1957 in werking trad, gebaseerd op het kostwinnersprincipe. Echtgenoten van de kostwinners waren, indien zij in Nederland woonden, in de regel van rechtswege verzekerd voor de AOW, maar betaalden - als ze geen premieplichtige arbeid verrichtten of andere inkomsten hadden - geen premies. Zolang een huwelijk duurde kwamen de rechten van beide echtgenoten tot uitbetaling via een pensioentoekenning aan de kostwinner. De kostwinner was in de regel een man, zodat het kostwinnersprincipe leidde tot indirect onderscheid naar geslacht. In de loop van de tijd won de gedachte veld dat dit onderscheid niet (meer) gerechtvaardigd was. Daarom, en om te voldoen aan Richtlijn nr. 79/7/EEG, is bij Wet van 6 december 1984 (Stb. 622) per 1 april 1985 in de nationale regeling een stelsel ingevoerd dat voorziet in een individueel ouderdomspensioen voor iedere gehuwde 65-plusser van ten hoogste 50% van het nettominimumloon.

4.6.

Bij de totstandkoming van de AOW in 1956 werd het een ongewenste situatie geacht dat het gehuwdenpensioen, als gevolg van niet-verzekerde jaren en schuldig nalatigheid van de ene echtgenoot, lager zou worden dan het pensioen waarop de andere echtgenoot recht zou hebben als deze ongehuwd zou zijn. In die gevallen werd ingevolge artikel 10, vierde lid, van de AOW (oud), het ongehuwdenpensioen uitbetaald. In dit verband wordt verwezen naar de Memorie van Toelichting, TK, vergaderjaar 1983-1984, 18 515, nr. 3, p. 39-40.

4.7.

Met de nieuwe opzet van het AOW-stelsel was het volgens de in 4.6 bedoelde toelichting niet meer denkbaar dat de hoogte van het gehuwdenpensioen van de gehuwde man of vrouw werd beïnvloed door de andere echtgenoot, omdat het recht op en de hoogte van het ouderdomspensioen alleen worden bepaald door eigen niet-verzekerde jaren en schuldige nalatigheid. De in 4.6 genoemde aanleiding tot verhoging van het pensioen op grond van artikel 10, vierde lid, van de AOW (oud) was niet langer aanwezig en daarom is dat artikel met de inwerkingtreding van de gewijzigde AOW komen te vervallen.

4.8.

Verder blijkt uit de in 4.6 bedoelde passsage in de Memorie van Toelichting dat de wetgever nadrukkelijk heeft gedacht aan de mogelijkheid dat de gehuwde pensioengerechtigde toch minder ontvangt dan hij of zij als ongehuwde zou ontvangen. Volgens de wetgever vormt dit op zich geen reden tot een verhoging, aangezien het verschil in hoogte van het ouderdomspensioen voor gehuwden en ongehuwden gebaseerd is op een veronderstelde behoefte, die voor gehuwden en ongehuwden verschillend is.

4.9.

Anders dan appellant heeft betoogd, doet zich hier geen situatie voor waarin op grond van de door appellant gestelde omstandigheden contra legem aanspraak zou kunnen worden gemaakt op een AOW-pensioen naar de norm van een ongehuwde. Daartoe wordt overwogen dat de wetgever met de op 1 april 1985 in werking getreden wijziging van de AOW juist expliciet heeft beoogd om te regelen dat geen hoger AOW-pensioen meer kan worden verleend in de omstandigheden waarin appellant verkeert. Onder verwijzing naar het Harmonisatiewet-arrest van de Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725, wordt hieraan toegevoegd het uitgangspunt dat de rechter niet treedt in een belangenafweging die al door de wetgever is verricht of geacht moet worden te zijn verricht.

4.10.

Het beroep op dringende redenen als bedoeld in artikel 17a, tweede lid, van de AOW om van herziening - ook wat de toekomst betreft - af te zien, slaagt niet. Daarvoor is overwogen dat geen sprake is van onaanvaardbare individuele gevolgen voor appellant nu hij en/of zijn echtgenote, na aanspraak gemaakt te hebben op zijn eigen vermogen, een aanvullende inkomensvoorziening ouderen ingevolge de Wet werk en bijstand kunnen aanvragen.

Beroep op dringende redenen als bedoeld in het beleid van de Svb

4.11.

De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledig terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij verder niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend.

4.12.

Verder blijkt uit de beleidsregels van de Svb dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is.

4.13.

Zoals al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraak van 5 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352, moet het hiervoor onder 4.11 en 4.12 weergeven beleid van de Svb worden aangemerkt als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.14.

Allereerst moet worden vastgesteld dat appellant de wijziging in zijn leefsituatie niet aan de Svb heeft medegedeeld. Daardoor heeft appellant de informatieplicht als bedoeld in artikel 49 van de AOW geschonden. Het had aan appellant uit de bij de aanvraag van het ouderdomspensioen verstrekte informatie redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de wijziging in zijn leefsituatie van belang kon zijn voor de aanspraak op en de hoogte van het ouderdomspensioen en dat deze wijziging onverwijld gemeld had moeten worden. Voor de Svb bestond daarom geen aanleiding om op grond van het beleid af te zien van herziening.

4.15.

Verder is niet gebleken dat de Svb het hiervoor omschreven - op artikel 3:4 van de Awb gebaseerde - onderdeel van het beleid in dit geval niet consistent heeft toegepast. Namens appellant is aangevoerd dat de Svb op grond van de brief van 6 maart 2009 bekend had kunnen zijn met de omstandigheden van appellant en zijn echtgenote. Deze brief is een rappel op het nog niet hebben terugontvangen van de aanvraagformulieren voor het AOW-pensioen van de echtgenote en zegt niets over de beantwoording van de vraag of appellant en zijn echtgenote een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren. Dit houdt in dat niet kan worden gezegd dat de Svb in enige mate een verwijt kan worden gemaakt en dat geen sprake is geweest van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Dit betekent dat het hiervoor weergeven beleid de Svb geen aanleiding gaf de herziening te beperken.

Beroep op dringende redenen als bedoeld in artikel 24 van de AOW

4.16.

Ten aanzien van de terugvordering van € 9.872,83 moet voorop worden gesteld dat de Svb op grond van artikel 24 van de AOW gehouden is tot terugvordering van onverschuldigd betaalde toeslag. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb ingevolge het vierde lid van artikel 24 van de AOW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen als hier bedoeld kunnen ingevolge vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de - financiële en/of sociale - gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Gesteld noch gebleken is dat appellant ten gevolge van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt, zodat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering afgezien kan worden.

4.17.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.16 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.



5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en E.E.V. Lenos en

C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H.J. Dekker

IvR