Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
13-171 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering WW-uitkering. Gelet op de gekozen grondslag van het bestreden besluit en de inmiddels verstreken tijd, is redelijkerwijs niet meer te verwachten dat het Uwv er alsnog in zal slagen aannemelijk te maken dat geen sprake is geweest van arbeidsurenverlies, terwijl die grondslag ten aanzien van de ontzegging van de faillissementsuitkering zonder meer al niet gehanteerd kan worden.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 16
Werkloosheidswet 61
Werkloosheidswet 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/324
RSV 2015/70

Uitspraak

13/171 WW

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van

30 november 2012, 12/85 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van Haarlem, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Haarlem. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. De door appellant meegebrachte getuige [naam 1] is gehoord.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was met ingang van 1 september 2001 op basis van een arbeidsovereenkomst voor 20 uur per week werkzaam in dienst van[bedrijf 1]. ([bedrijf 1]). Op 1 april 2003 is [bedrijf 1] failliet verklaard. In verband daarmee heeft de curator de arbeidsovereenkomst met appellant opgezegd. Appellant heeft op 7 april 2003 een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidwet (WW), een zogenoemde faillissementsuitkering. Daarnaast heeft appellant op 17 april 2003 een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van Hoofdstuk II van de WW

(WW-uitkering). Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor een faillissementsuitkering over de periode van 1 maart 2003 tot 15 mei 2003 en voor een WW-uitkering met ingang van 1 april 2003, gebaseerd op een verlies van 20 arbeidsuren.

1.2. Naast het dienstverband bij [bedrijf 1], was appellant met ingang van 1 oktober 2001 op basis van een arbeidsovereenkomst voor 20 uur per week werkzaam in dienst van [bedrijf 2]. Appellant heeft daarvan mededeling gedaan in zijn aanvragen om uitkeringen.

1.3. Na het faillissement van [bedrijf 1] is een doorstart gemaakt en zijn de activiteiten en een deel van het personeel, waaronder [naam 1], de voormalig directeur van [bedrijf 1], overgegaan naar [bedrijf 3], dat op dezelfde locatie is voortgezet. De bedrijfspanden waren eigendom van [naam 2], echtgenote van appellant. [bedrijf 3] is op 26 januari 2005 failliet verklaard.

1.4. Met ingang van 1 augustus 2008 is de WW-uitkering van appellant beëindigd vanwege het feit dat hij in de maand augustus 2008 de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

2.1. Bij een interne controle heeft het Uwv geconstateerd dat appellant betrokken was bij een aantal rechtspersonen. Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv een onderzoek ingesteld. In verband met dat onderzoek is appellant op 28 december 2009 verhoord. De bevindingen uit dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 april 2010. Naar aanleiding van die bevindingen zijn nog twee getuigen, [naam 1] en de curator in het faillissement van [bedrijf 1], gehoord. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport van 22 december 2010. Het Uwv heeft op basis van die rapporten geconcludeerd dat appellant ten tijde van de aanvraag om de WW-uitkering niet werkloos was, omdat hij zijn werkzaamheden in dezelfde omvang is blijven verrichten.

2.2. Bij besluit van 25 mei 2011 heeft het Uwv gesteld dat appellant tijdens zijn uitkeringsperiode werkzaam is geweest als directeur van [bedrijf 3] en dat hij tevens werkzaamheden heeft verricht bij[bedrijf 2] waardoor er vanaf 1 april 2003 geen verlies aan arbeidsuren resteerde. Dit betekende volgens het Uwv dat appellant geen recht had op de WW-uitkering en de faillissementsuitkering. Om die reden heeft het Uwv die uitkeringen met ingang van 1 april 2003 ingetrokken en in verband daarmee een bedrag van € 96.449,69 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde uitkeringen over de periode van 1 april 2003 tot en met 3 augustus 2008 van appellant teruggevorderd.

2.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 mei 2011. Bij besluit van

13 december 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard en het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd. Het Uwv heeft gesteld dat er op de datum van het faillissement van [bedrijf 1] sprake was van een doorstart in [bedrijf 3]. Het Uwv heeft verwezen naar de verklaring van [naam 1] dat appellant na de doorstart in dezelfde omvang als voor het faillissement heeft gewerkt. Ook de curator in het faillissement bevestigde dat appellant de drijvende kracht was achter de overname van de failliet. Blijkens de eigen verklaring van appellant en die van zijn gemachtigde aan de Belastingdienst heeft appellant ook vanaf het faillissement van [naam 2] op 26 januari 2005 onverminderd werkzaamheden verricht, naast de opgegeven uren die appellant werkte voor [bedrijf 2]. Vanwege de verrichte werkzaamheden in die uren was appellant volgens het Uwv van aanvang af niet werkloos en had hij geen recht op uitkering.

3.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant niet alle werkzaamheden voor het opstarten en begeleiden van [bedrijf 3]vanuit [bedrijf 2] had verricht. De rechtbank heeft voor dat oordeel verwezen naar een brief van appellant aan de Belastingdienst, de verklaring van [naam 1] en de eigen verklaring van appellant. Het had daarom op de weg van appellant gelegen de opvatting van het Uwv te weerleggen en aannemelijk te maken dat appellant alle werkzaamheden voor [bedrijf 3] vanuit [bedrijf 2] verrichtte.

4.

De stellingen van appellant in hoger beroep komen erop neer dat de werkzaamheden die hij verrichtte steeds plaatsvonden binnen het dienstverband met [bedrijf 2] en dat die nooit meer dan 20 uur per week beliepen. Ter onderbouwing daarvan heeft appellant verwezen naar de urenlijsten die ter verantwoording voor [bedrijf 2] werden ingevuld.

5.

Het Uwv heeft in zijn verweer herhaald dat appellant meer heeft gewerkt dan hij aan het Uwv heeft opgegeven.

6.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.1. Ingevolge artikel 15 van de WW heeft de werknemer die werkloos is, met inachtneming van de artikelen 16 tot en met 21 en de daarop berustende bepalingen, recht op uitkering.

6.1.2. Ingevolge artikel 16, eerste lid van de WW, zoals dat gold ten tijde in geding, is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

6.1.3. Hoofdstuk IV van de WW bevat artikelen met betrekking tot de overneming van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen bij onmacht van de werkgever om te betalen. Op grond van artikel 61 van de WW, voor zover van belang, heeft een werknemer recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.

6.1.4. Op grond van artikel 68, eerste en tweede lid, van de WW, zoals dat gold ten tijde in geding, zijn de artikelen 17 tot en met 21, 28, 41, en 52a tot en met 52i niet van toepassing op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van de uitkering op grond van dit hoofdstuk. Voor zover bij of krachtens dit hoofdstuk niet anders is bepaald zijn de overige artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling van de uitkering op grond van dit hoofdstuk.

6.2.

De onderbouwing voor het standpunt van het Uwv dat appellant geen recht heeft op een faillissementsuitkering, berust, gelet op het bestreden besluit, hierop dat appellant niet werkloos is geweest in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WW, omdat geen sprake is geweest van arbeidsurenverlies.

6.2.1.

Hoofdstuk IV van de WW geeft een regeling voor overneming door het Uwv van door betalingsonmacht van de werkgever onvervuld gebleven loonaanspraken van de werknemer. Het bestaan van die loonaanspraken vloeit voort uit het feit dat voor een werkgever werkzaamheden zijn of worden verricht. Uit de aard van de overnemingsregeling en de daarmee samenhangende systematiek volgt daarom reeds dat een arbeidsurenverlies in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WW geen rol speelt voor de bepaling van het recht op overneming van onvervuld gebleven loonaanspraken.

6.2.2.

Het standpunt van het Uwv roept de vraag op of de woorden ‘overige artikelen van deze wet’ in combinatie met ‘voor zoveel nodig, van overeenkomstige toepassing’ in artikel 68, tweede lid, van de WW, zo kunnen worden uitgelegd dat arbeidsurenverlies in de zin van artikel 16 een voorwaarde kan zijn voor het ontstaan van het recht op honorering van onvervulde loonaanspraken. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Een dergelijke voorwaarde zou immers rechtstreeks afbreuk doen aan de minimumbescherming die door Richtlijn 80/987/EEG (zoals nadien gewijzigd) in geval van insolventie van de werkgever wordt nagestreefd en is niet te verenigen met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat gevallen waarin een betalingsverplichting van een waarborgfonds mag worden beperkt, in de artikelen 3 en 4 van die richtlijn limitatief zijn opgesomd en dat de betrokken bepalingen, aangezien het om uitzonderingen gaat en gelet op het sociale doel van deze richtlijn, eng moeten worden uitgelegd (arrest van 17 november 2011, C-435/10,

Van Ardennen, rechtsoverwegingen 27, 31 en 34).

6.3.

Ten aanzien van de intrekking van de WW-uitkering is het standpunt van het Uwv eveneens dat appellant niet werkloos is geweest, omdat geen sprake is geweest van arbeidsurenverlies. Allereerst wordt hier benadrukt dat in een geval als het onderhavige sprake is van een belastend besluit dat met terugwerkende kracht en over een groot aantal jaren wordt genomen. Dat betekent dat, gelet op dit standpunt, het aan het Uwv is om aannemelijk te maken dat appellant van week 14 van 2003 tot en met week 31 van 2008 elke week geen of niet meer dan vijf arbeidsuren heeft verloren, omdat hij in die weken, naast het met [bedrijf 2] overeengekomen aantal van 20 uren, vijftien of meer uren werkte.

6.4.

Anders dan de rechtbank wordt geen betekenis toegekend aan het feit dat [bedrijf 2], na de beëindiging van de WW-uitkering van appellant, opgave aan de Belastingdienst heeft gedaan van 174 verloonde uren per maand over 2008. Het Uwv heeft zich in het verweerschrift nader op het standpunt gesteld dat die opgave door appellant in hoger beroep is verklaard. De verstrekte loonstaten bevatten geen gegevens over de gewerkte uren.

6.5.

Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellant toegegeven dat hij in de periode van

1 april 2003 tot 1 augustus 2004 en in 2006 op 21 dagen werkzaamheden heeft verricht die hij niet heeft opgegeven aan het Uwv ‘omdat het vrije dagen waren vanuit [bedrijf 2]’. Zoals ter zitting is vastgesteld, zijn die uren ook niet ten opzichte van [bedrijf 2] verantwoord. Daarnaast heeft appellant in zijn brieven aan de Belastingdienst van 28 juni 2006 en 30 september 2006 informatie verstrekt over zijn activiteiten. Uit genoemde brieven en uit brieven van de curator in beide faillissementen blijkt dat appellant intensief bezig is geweest met een (niet levensvatbaar gebleken) doorstart van [bedrijf 1] vanaf mei 2003 en later, na het faillissement van [bedrijf 3] op 26 januari 2005, opnieuw met werkzaamheden op twee dagen per week in Smilde ter voorbereiding van een volgende doorstart. Getuige [naam 1] heeft ter zitting verklaard dat appellant zijn werkzaamheden vanuit zijn dienstverband met Balrak verrichtte. Voor hem waren [bedrijf 2] en appellant één en hetzelfde bedrijf. Hij had geen zicht op de hoeveelheid tijd die appellant besteedde aan zijn werkzaamheden. Tegenover het ter zitting nader onderbouwde standpunt van appellant, dat hij niet meer dan 20 uren per week heeft gewerkt, welke uren zijn verantwoord via zijn urenopgaven aan [bedrijf 2], heeft het Uwv terecht vraagtekens gesteld bij de volledigheid van die urenverantwoording.

6.6.

Dit neemt niet weg dat, waar op het Uwv de bewijslast van zijn stelling rust, deze onduidelijkheid - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - niet meebrengt dat het Uwv er in is geslaagd aannemelijk te maken dat in week 14 van 2003 tot en met week 31 van 2008 geen sprake is geweest van werkloosheid wegens het ontbreken van relevant arbeidsurenverlies. Het bestreden besluit ontbeert in dat opzicht een voldoende draagkrachtige motivering.

6.7.

Conclusie is dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. Gelet op de gekozen grondslag van het bestreden besluit en de inmiddels verstreken tijd, is redelijkerwijs niet meer te verwachten dat het Uwv er alsnog in zal slagen aannemelijk te maken dat geen sprake is geweest van arbeidsurenverlies, terwijl die grondslag ten aanzien van de ontzegging van de faillissementsuitkering zonder meer al niet gehanteerd kan worden. Onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder d, van de Awb zal het besluit van 25 mei 2011 daarom worden herroepen.

7.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op de kosten van rechtsbijstand in beroep van € 974,-. In hoger beroep worden deze kosten begroot op de kosten van rechtsbijstand van € 974,- en de kosten van de getuige zijnde de kosten van de vliegreis van de meegebrachte getuige van € 1.900,-, in totaal € 3.848,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 december 2011;

- herroept het besluit van 25 mei 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 13 december 2011;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.848,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) D.E.P.M. Bary

RK